← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:3717

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/326011-22 RK nummer: 23/215 Datum uitspraak: 30 maart 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie van 20 januari 2023 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 april 2018 door the Regional Court in Krosno, II Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, ingeschreven op het adres: [adres], [plaats], gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 maart

  1. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een decision of the District Court in Krosno of 28.02.2018 (II Kp 78/18). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten: 1) deelneming aan een criminele organisatie; 5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. Hoewel de zin die is opgenomen onder E2 in het EAB (“As in the above box E, point 2” ) niet geheel duidelijk is, begrijpt de rechtbank het EAB zo, dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bedoeld alle feiten onder de aangekruiste lijstfeiten te brengen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten 3 en 4 daar niet onder heeft willen scharen, zijn die feiten ook naar Nederlands recht strafbaar en is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Ter onderbouwing heeft de raadsman twee dagen voorafgaand aan de zitting enkele stukken overgelegd, waaronder een huurcontract en een werkgeversverklaring. De officier van justitie is van oordeel dat de raadsman de stukken ter onderbouwing van de gelijkstelling te laat heeft overgelegd, zodat de rechtbank deze stukken om die reden buiten beschouwing dient te laten. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet aan de vereisten voor gelijkstelling voldoet, nu er geen sprake is van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank beslist als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank (sinds april 2021 bovendien wettelijk verankerd in artikel 6, derde lid en 6a, negende lid, OLW) dienen stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling tijdig te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat een termijn van 10 dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is, zodat de stukken door de rechtbank en de officier van justitie kunnen worden bestudeerd en de officier van justitie desgewenst nog in de gelegenheid is vragen te stellen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting dat de opgeëiste persoon al dan niet het recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, zoals bepaald in artikel 6, derde lid, OLW. In deze zaak heeft de raadsman de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer twee dagen voorafgaand aan de zitting overgelegd. Gelet op het voorgaande zijn die stukken dus niet tijdig overgelegd. Om die reden zal de rechtbank de stukken buiten beschouwing laten, zodat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. De opgeëiste persoon komt dus niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander.
  2. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
  3. Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Krosno, II Penal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 maart
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie o.a. rechtbank Amsterdam 3 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:
  5. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.
  6. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.