← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:3725

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/257259-17 (promis) Datum uitspraak: 26 mei 2023 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995, wonende op het adres [adres] , [plaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.L.J. Smit en van wat de raadsman van verdachte mr. B.J.P. van Gils naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft na de zitting beraadslaagd en mondeling uitspraak gedaan. 2Tenlastelegging Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van medeplichtigheid aan de oplichting van [persoon 1] in de periode van 8 tot en met 13 juni 2016 in Nederland door zijn rekeningnummer ter beschikking te stellen. De tenlastelegging staat in bijlage I. 3Ontvankelijkheid van de officier van justitie 3.
  2. Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat de redelijke termijn fors is overschreden. Er zijn sinds aanvang van de vervolging bijna zeven jaar verstreken. Het is niet aan de schuld van verdachte te wijten dat het zo lang heeft geduurd. Het Openbaar Ministerie heeft hiermee zijn vervolgingsrecht verspeeld. 3.
  3. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid en dat het Openbaar Ministerie dus ontvankelijk is in de vervolging. 3.
  4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat een strafzaak binnen twee jaar moet worden afgedaan. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 20 februari 2017, de datum waarop verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord. De termijn tussen het eerste verhoor van verdachte en de uitspraak op 26 mei 2023 is zes jaar en drie maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met vier jaar en zes maanden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. De rechtbank vindt de omstandigheden in deze zaak niet zo bijzonder dat van die regel zou moeten worden afgeweken en verwerpt daarom het verweer. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. 4Vrijspraak 4.
  5. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt dat medeplichtigheid aan oplichting kan worden bewezen. Verdachte heeft € 650 en € 400 van [persoon 1] op zijn rekening gestort gekregen. [persoon 1] heeft aangifte gedaan van oplichting voor deze bedragen. Dan is het aan verdachte om met een verklaring te komen, maar dat heeft hij niet gedaan. Dat maakt dat er sprake is van wettig bewijs. [persoon 2] heeft ook geld van [persoon 1] op zijn rekening ontvangen en heeft daarover verklaard dat hij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toestemming had gegeven geld op zijn rekening te laten storten en dat hij het geld na ontvangst meteen heeft gepind en aan hen heeft afgegeven. De verklaring van [persoon 2] maakt dat de officier van justitie de overtuiging heeft dat het bij verdachte op dezelfde manier is gegaan. 4.
  6. Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de vereiste dubbele opzet ontbreekt. Er is geen bewijs dat verdachte opzet had op de oplichting en opzet had om daarbij behulpzaam te zijn. 4.
  7. Het oordeel van de rechtbank Anders dan de officier van justitie en net als de verdediging vindt de rechtbank dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op zowel de oplichting van [persoon 1] als op de het daarbij behulpzaam zijn. Het feit dat verdachte geld van [persoon 1] op zijn rekening gestort heeft gekregen en de verklaring van [persoon 2] - die niets inhoudt over verdachte - zijn daartoe onvoldoende. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken. 5Ten aanzien van de benadeelde partij, [persoon 1] Omdat verdachte wordt vrijgesproken, wordt de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk verklaard. 6Beslissing De rechtbank: verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart de benadeelde partij [persoon 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering; bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Slager, voorzitter, mrs. F.J. Lourens en C.J.M Wildeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 mei
  8. […] ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.