RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752132-20 (EAB II) RK nummer: 20/6073 Datum uitspraak: 24 januari 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie van 16 december 2020 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2017 door the Regional Court in Łódź, No. 18 Criminal Department (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1964, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Een op 8 november 2022 geplande behandeling van het EAB is op voorhand aangehouden vanwege persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. De behandeling van het EAB heeft vervolgens gelijktijdig met de behandeling van het EAB met parketnummer 13/752131-20 (EAB I) plaatsgevonden op de zitting van 10 januari
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat er geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een judgment passed by the District Court in Kutno, No. 2 Criminal Department van 30 april 2003, met referentie II Ko1 117/
- Het EAB vermeldt ook het referentienummer Ds. 854/02 (Prosecution Service in Kutno). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 8 en 23, te weten (respectievelijk): fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW: gelijkstelling De raadsman verzoekt de rechtbank subsidiair om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, zodat de opgeëiste persoon, in het geval dat hij na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, zijn straf vervolgens in Nederland kan ondergaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door de verdediging niet door middel van concrete en objectieve informatie is aangetoond dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
- de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
- de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
- ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel. Op basis van de stukken die door de raadsman zijn overlegd kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon al ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Aan de eerste voorwaarde wordt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet voldaan. Om die reden behoeven de tweede en derde voorwaarde geen nadere bespreking. Het verweer slaagt niet. De opgeëiste persoon wordt niet gelijkgesteld met een Nederlander.
- Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW: verjaring De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de overlevering te weigeren op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW, omdat er naar Nederlands recht sprake is van verjaring van het recht op strafvervolging. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW, niet van toepassing is omdat Nederland geen rechtsmacht heeft. De opgeëiste persoon kan immers niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat, nu de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander en Nederland ook overigens geen rechtsmacht heeft over door een vreemdeling in het buitenland gepleegde strafbare feiten zoals de onderhavige, Nederland ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering gevraagd wordt, geen rechtsmacht heeft kunnen uitoefenen, zoals in artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW is vereist. Dit betekent dat geen sprake is van verjaring van het recht op strafvervolging. Het verweer slaagt niet. 7Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Łódź, No. 18 Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22 OLW. De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie voor het primaire standpunt van de raadsman rechtsoverweging
- Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.
- Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).