RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/071871-23 RK-nummer: 23-011675 Datum beschikking: 15 juni 2023 BESCHIKKING op het klaagschrift ex artikel 5.1.11 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1976 te Denemarken (geboorteplaats onbekend),zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman, op het adres [adres] , hierna te noemen: klager. 1Procesgang Het klaagschrift is op 4 mei 2023 ingediend ter griffie van deze rechtbank. De rechtbank heeft op 15 juni 2023 het klaagschrift behandeld en de raadsman van klager (mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam) en de officier van justitie (mr. R. Mackor) in openbare raadkamer gehoord. Klager zelf is niet verschenen. 2Feiten en omstandigheden De Deense autoriteiten hebben door middel van een rechtshulpverzoek verzocht om inbeslagname van bepaalde goederen onder klager, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen hem in verband met de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het rechtshulpverzoek. Ter uitvoering van het rechtshulpverzoek zijn goederen onder klager in beslag genomen. 3Inhoud klaagschrift en standpunt klager Het klaagschrift strekt tot teruggave van een deel van de onder klager inbeslaggenomen goederen - waaronder gegevensdragers - op grond van het volgende. Deze goederen kunnen niet bijdragen aan de waarheidsvinding. De feiten waarvoor klager al is overgeleverd zouden zijn gepleegd tot 8 maart 2021. De inbeslaggenomen goederen zijn pas na deze datum in het bezit van klager gekomen en hebben daarom geen enkele relatie met het strafbare feit waarvan klager wordt verdacht. Het persoonlijk belang van klager bij teruggave van de goederen dient te prevaleren. 4Standpunt van het de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. De stelling van klager dat de goederen pas na 8 maart 2021 in zijn bezit zijn gekomen, is op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast hebben de Deense autoriteiten nog niet de beschikking over de inbeslaggenomen goederen en hebben zij aan die goederen nog geen onderzoek kunnen verrichten. Verder is van belang dat de Deense autoriteiten meermaals expliciet hebben meegedeeld dat het beslag gehandhaafd dient te worden, omdat nog steeds sprake is van een strafvorderlijk belang. In de uitvoering van rechtshulp geldt het principe van wederzijds vertrouwen. Zolang het onderzoek en het strafvorderlijk belang in Denemarken voortduren, moet het beslag in Nederland worden gehandhaafd. 5Het oordeel van de rechtbank Vooropgesteld wordt dat indien, zoals hier, een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag, gelet op het bepaalde in artikel 5.1.4, tweede lid, Sv zoveel mogelijk aan dat verzoek gevolg dient te worden gegeven. Er kan slechts van inwilliging van het verzoek worden afgezien als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag dan wel de wet (in het bijzonder de weigeringsgronden die zijn genoemd in het verdrag en artikel 5.1.5 Sv) of indien door inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, NJ 2002/580). Op grond van het Nederlandse voorbehoud bij artikel 5 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken worden verzoeken om doorzoeking en inbeslagname alleen uitgevoerd voor zover het gaat om strafbare feiten die tot uitlevering kunnen leiden onder het Europees Verdrag betreffende uitlevering en voor zover een Nederlandse rechter de uitvoering heeft toegestaan in overeenstemming met nationaal recht. Op grond van artikel 51, aanhef en onder a, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst wordt echter de inwilligbaarheid van rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking en inbeslagneming niet aan verdergaande voorwaarden onderwerpen dan dat a) het aan de rogatoire commissie ten grondslag liggende feit naar het recht van de verzoekende staat en Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste zes maanden en b) de uitvoering van de rogatoire commissie overigens verenigbaar is met het recht van Nederland. In artikel 5.1.8, eerste lid Sv, is als criterium gesteld dat in Nederland opsporingsbevoegdheden worden toegepast, voor zover deze eveneens zouden kunnen worden toegepast in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar dezelfde feiten. Ook dit criterium impliceert dat moet zijn voldaan aan de vereisten van dubbele strafbaarheid. Daarnaast moeten de in beslag genomen voorwerpen, in dit geval op grond van artikel 94, ook vatbaar zijn geweest voor inbeslagneming indien de feiten in Nederland zouden zijn begaan. Conclusie Toepassing van het hiervoor geschetste toetsingskader leidt ertoe dat de rechtbank het klaagschrift ongegrond zal verklaren. In het bijzonder is zij, met de officier van justitie en op de door de officier van justitie aangevoerde gronden, van oordeel dat: de inbeslaggenomen voorwerpen waarvan de teruggave wordt gevraagd, gelet op de verdenking, mogelijk kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen; en het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave daarvan. 6Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND. Deze beslissing is op 15 juni 2023 gegeven en in het openbaar uitgesproken door: mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mrs. Ch.A. van Dijk en B. Yeşilgöz, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en I. van Heusden, griffiers. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.