RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/026254-23 RK nummer: 23/287 Datum uitspraak: 5 april 2023 UITSPRAAK op de vordering van 27 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 december 2022 door the Circuit Court in Tarnobrzeg (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, verblijfadres: [adres], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 maart
- Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een judgement of the District Court in Mielec van 22 oktober 2019, referentienummer II K 495/
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, één maand en negen dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: (poging tot) diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. De raadsman heeft bepleit dat het ‘opium’ feit niet voldoet aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid, omdat het gaat om het bezit van 2,89 gram cannabis. Wanneer de feitelijke elementen zich in Nederland hadden afgespeeld, was er zeer waarschijnlijk geen sprake geweest van vervolging wegens de geringe hoeveelheid cannabis. Om die reden moet de overlevering worden geweigerd. De rechtbank is van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan niet relevant is of voor het feit in Nederland een gedoogbeleid geldt, maar alleen of het feit ook in Nederland strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat aan dat vereiste is voldaan en verwerpt het verweer. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, 3 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Tarnobrzeg (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. R. Godthelp en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 april
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.