← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:4381

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/021967-23 RK nummer: 23/249 Datum uitspraak: 5 april 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2022 door the Office of the Prosecutor General of the Republic Lithuania (Litouwen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1982, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 maart

  1. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Litouwse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van the District Court of Marijampolé van 8 november 2022, no. 01-0-00392-
  2. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat steeds een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en die feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan ten aanzien van onder 2 genoemde feit is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: oplichting De verdenking onder 1 houdt – kort gezegd – in dat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan zijn detentievoorwaarden en zich aan detentie heeft onttrokken. De raadsman heeft aangevoerd dat dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is en de overlevering om die reden moet worden geweigerd. Alhoewel de dubbele strafbaarheid ontbreekt, vindt de officier van justitie dat de rechtbank kan afzien van weigering. De rechtbank stelt vast dat de dubbele strafbaarheid voor het onder 1 genoemde feit ontbreekt. Het genoemde feit heeft geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is immers begaan in Litouwen, en de overlevering is al toelaatbaar geacht voor de strafvervolging in Litouwen voor het feit onder
  3. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om gebruik te maken van het facultatieve karakter van artikel 7 OLW en de overlevering ook voor het feit onder 1 toe te staan. De gezamenlijke afdoening van beide feiten is bovendien in het belang van de opgeëiste persoon. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 326 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor General of the Republic Lithuania (Litouwen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, mrs. R. Godthelp en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 april
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.