vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/122435-22 Datum uitspraak: 20 juli 2023 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , 1Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. Nijkerk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.H. Wormhoudt naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (13/122436-22) en [medeverdachte 2] (13/122432-22). 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 30 januari 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [slachtoffer] en/of [getuige] heeft mishandeld door die [slachtoffer] en/of die [getuige] meermalen, althans eenmaal, tegen/op het gezicht en/of tegen/op het hoofd, in elk geval tegen/op het lichaam, te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer (af)gebroken en/of losgeraakte tand(en) bij die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad. 3Vrijspraak 3.
- Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat het feit kan worden bewezen. Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. 3.
- Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar zijn op schrift gestelde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Volgens hem blijkt niet uit het dossier dat verdachte [slachtoffer] of [getuige] heeft geslagen, gestompt, getrapt of geschopt, dan wel dat hij de tanden uit de mond van [slachtoffer] heeft geslagen. Weliswaar heeft [persoon 1] verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen, maar die verklaring wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier. Verder biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat sprake is van medeplegen. 3.
- Oordeel van de rechtbank Feiten en omstandigheden Op 30 januari 2022 is er tijdens een feestje in een hotelkamer het [naam 1] hotel in Amsterdam-West een handgemeen ontstaan tussen meerdere personen. [slachtoffer] is hierbij gewond geraakt en [getuige] is geschopt en geslagen. Verdachte was tijdens het incident in de hotelkamer aanwezig. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of kan worden bewezen dat verdachte (al dan niet samen met andere personen) geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en [getuige] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij samen met [persoon 2] , [persoon 1] en [getuige] op het feestje in de hotelkamer aanwezig was. Op een gegeven moment besloten zij het feest te verlaten omdat er transfobe opmerkingen naar [persoon 2] werden gemaakt en [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) ruzie zocht met [getuige] . Toen zij er eenmaal buiten achter kwamen dat [getuige] zijn telefoon kwijt was en hij deze vermoedelijk in de hotelkamer was vergeten, zijn [slachtoffer] en [persoon 1] terug naar boven gegaan om de telefoon te zoeken. [getuige] is even later ook weer naar boven gekomen. Er ontstond vervolgens een discussie tussen [getuige] en [naam 2] en steeds meer mensen kwamen zich ermee bemoeien. Uit het niets duwde één van de jongens uit de groep met beide handen tegen [getuige] , waardoor hij op de grond viel. Iedereen van de groep en [naam 2] begonnen toen om zich heen te slaan. Elke keer als [getuige] wilde opstaan werd hij weer geslagen. [slachtoffer] probeerde samen met [persoon 1] de mensen van [getuige] af te halen. Een bredere jongen en [naam 2] begonnen toen hard op hem in te slaan. Op een gegeven moment voelde [slachtoffer] een harde klap op zijn mond. Even later merkte hij dat hij twee voortanden miste. Getuige [persoon 1] heeft verklaard dat zij zag dat [slachtoffer] en [getuige] hard in het gelaat werden geslagen door een donker getinte jongen met gemillimeterd haar. Zijn ogen stonden wat uit elkaar. De twee andere personen die [persoon 1] zeker heeft zien slaan zijn [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2] ) en [naam 3] (de rechtbank begrijpt: verdachte). Zij zag dat deze drie personen [getuige] en [slachtoffer] meerdere malen hard sloegen op hun lichamen en hun gelaat. Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de mishandeling niet kan worden bewezen. Getuige [persoon 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte [getuige] en [slachtoffer] meerdere malen hard sloeg op hun lichamen en hun gelaat, maar overig bewijs dat direct wijst op de betrokkenheid van verdachte bij de mishandeling ontbreekt. Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de vechtpartij. Er zijn geen verklaringen van andere getuigen waaruit blijkt, of waaruit voldoende overtuigend steunbewijs kan worden gevonden, dat verdachte één van de personen was die deelnam aan het geweld tegen [getuige] en [slachtoffer] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken. 4Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 137,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.600,- aan vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde. 5Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. Ch.A. van Dijk en C.A.R. Bleijendaal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli
- De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.