RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/094953-23 Datum uitspraak: 26 juli 2023 UITSPRAAK op de vordering van 26 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juni 2021 door het Amtsgericht Dortmund (Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP adres] , nu gedetineerd in [PI] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juli 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. E. Bruijn, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Egyptische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van het Amtsgericht Dortmund (Duitsland) van 23 juni 2020 (kenmerk: 701 Gs 1280/20). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten: moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Gelijkstelling Het standpunt van de verdediging De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander zodat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland kan ondergaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon sinds mei 2018 een verblijfsvergunning heeft en hij sindsdien onafgebroken feitelijk in Nederland heeft verbleven. Zijn verblijfsvergunning is inmiddels verlengd tot mei
- Bovendien blijkt uit de informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 11 juli 2023 niet ondubbelzinnig dat een veroordeling voor dit feit in Duitsland er zonder meer toe leidt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen. Er zal te zijner tijd nog moeten worden beoordeeld of de eventuele veroordeling daadwerkelijk een reden vormt om de verblijfsvergunning in te trekken. Daarbij zullen onder andere de feiten en omstandigheden waaronder het feit zou zijn gepleegd en de psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon in aanmerking worden genomen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Weliswaar is hem op 4 mei 2018 een verblijfsvergunning verleend, maar hij heeft zich pas op 19 oktober 2019 in Nederland ingeschreven. Daarmee is niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling voldaan. Daarnaast blijkt uit de informatie van de IND van 11 juli 2023 dat de opgeëiste persoon naar verwachting zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen als hij in Duitsland wordt veroordeeld voor het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt. Dit advies is voldoende duidelijk en daarin is al rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan en de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon. Het oordeel van de rechtbank De opgeëiste persoon heeft niet de Nederlandse, maar wel de Egyptische nationaliteit. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
- de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
- de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
- ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de informatie van de IND van 11 juli 2023 voldoende duidelijk volgt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen als hij in Duitsland wordt veroordeeld voor het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt. Daarmee slaagt het gelijkstellingsverweer niet. Omdat niet is voldaan aan de derde voorwaarde voor gelijkstelling, behoeven de eerste twee voorwaarden geen bespreking. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Dortmund (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. M.C. Eggink en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 juli
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.