← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:5121

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/165654-23 Datum uitspraak: 9 augustus 2023 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 12 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juli 2023 door the Harju County Court, Estland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Estland), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 juli 2023, in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Russische taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Estische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een onherroepelijk vonnis van the Harju County Court van 1 november 2016 (referentie: no. 1-16-8887). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 11 maanden en 28 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 9 maanden en 1 dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.

  1. Weigeringsgrond van artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de procedure die tot de tenuitvoerlegging van de resterende vrijheidsstraf heeft geleid en de overlevering is disproportioneel. Het vonnis van 1 november 2016 betreft een samengesteld vonnis, waarbij aan de opgeëiste persoon naast een gevangenisstraf voor een diefstal gepleegd in april 2016 ook een resterende gevangenisstraf van een veroordeling uit 2015 is opgelegd. Het is onbekend welk feit aan de veroordeling in 2015 ten grondslag lag. Nu enkel de diefstal is omschreven in het EAB, wordt de overlevering feitelijk verzocht voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van ruim 11 maanden voor het plegen van een eenvoudige diefstal. Ondanks dat deze argumenten afzonderlijk geen weigeringsgronden betreffen, dient de combinatie daarvan tot weigering van de overlevering te leiden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de resterende gevangenisstraf niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Immers was de tenuitvoerlegging niet het gevolg van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit, maar is de tenuitvoerlegging bevolen omdat de opgeëiste persoon de opgelegde taakstraf niet volledig had verricht. De aanwezigheid van de opgeëiste persoon was bij deze beslissing dan ook niet vereist. Enkel de beslissing van 1 november 2016 dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Omdat uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon bij deze procedure in persoon is verschenen, doet de weigeringsgrond zich niet voor. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op 1 november 2016 is veroordeeld tot een samengestelde gevangenisstraf van 11 maanden en 28 dagen, dat deze straf bij diezelfde beslissing is omgezet in een taakstraf (met vervangende gevangenisstraf van 11 maanden en 28 dagen) en dat op 16 februari 2018 de tenuitvoerlegging van de resterende, vervangende, gevangenisstraf is bevolen omdat de taakstraf niet volledig is verricht. De rechtbank overweegt allereerst dat de beslissing van 16 februari 2018 tot tenuitvoerlegging van de resterende gevangenisstraf wegens het niet volledig verrichten van de taakstraf, niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Of een dergelijke omzettingsprocedure onder het bereik van artikel 12 OLW valt, is namelijk afhankelijk van de vraag of 1) de aard of maat van de oorspronkelijke straf is gewijzigd en 2) zo ja, of de bevoegde autoriteit daarbij over een beoordelingsmarge beschikte. Niet is gebleken dat de aard of maat van de oorspronkelijke straf bij deze beslissing is gewijzigd. Ten aanzien van het vonnis van 1 november 2016 overweegt de rechtbank dat uit het EAB en de aanvullende informatie van 21 juli 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid. Daarom is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ten aanzien van het vonnis van 1 november 2016 niet van toepassing. Voorts stelt de rechtbank vast dat bij het vonnis van 1 november 2016 een samengestelde straf is opgelegd, namelijk een gevangenisstraf van 3 maanden voor het plegen van een aantal diefstallen in 2016 en de resterende gevangenisstraf van 8 maanden van een bij vonnis van 13 oktober 2015 opgelegde straf. Nu deze resterende gevangenisstraf deel uitmaakt van die samengestelde straf en dus mede ten grondslag ligt aan de veroordeling uit 2016 en nu bij dit onderliggende vonnis is geoordeeld over de schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten waarvoor die resterende gevangenisstraf van 8 maanden oorspronkelijk is opgelegd, dient ook ten aanzien van dit vonnis te worden beoordeeld of hij in de betreffende procedure zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Het EAB bevat daar geen informatie over. Ook bevat het EAB geen informatie over de feiten die aan de veroordeling van 13 oktober 2015 ten grondslag lagen, waardoor de rechtbank onder meer niet kan beoordelen of overlevering voor deze feiten kan worden toegestaan ex artikel 7 OLW. De rechtbank zal om die reden het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken aan de uitvaardigende justitiële autoriteiten de volgende vragen te stellen:
  2. Welke strafbare feiten liggen ten grondslag aan het vonnis van the Harju County Court (Estland) van 13 oktober 2015 (zie artikel 8, eerste lid, onderdelen d) en e), Kaderbesluit 2002/584/JBZ)? 2) Kunt u ten aanzien van dit vonnis rubriek d) van het EAB volledig invullen? In afwachting van het antwoord op voornoemde vragen, zal de rechtbank op grond van artikel 22 OLW de termijn waarbinnen zij moet beslissen met 30 dagen verlengen. Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak voor 1 oktober 2023 weer op zitting zal worden aangebracht. 4Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. VERLENGT de beslistermijn op grond van artikel 22 OLW met 30 dagen. BEPAALT dat de zaak uiterlijk 1 oktober 2023 opnieuw op zitting moet worden aangebracht. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Russische taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. M.M.L.A.T. Doll en J. van Zijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 augustus
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.