RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/028811-23 (was 13/752159-18) Datum uitspraak: 28 juni 2023 UITSPRAAK op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 januari 2019 door the District Court in Zamość (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 7 maart 2019 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. A. Ramsaroep, advocaat in Wassenaar en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander slaagt. Vervolgens is het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank in de zaak Popławski II op 28 september 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld. Zitting 14 juni 2023 De behandeling van het EAB is met toestemming van opgeëiste persoon en de officier van justitie op 14 juni 2023 voortgezet. De behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. G.P. Sholeh, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. A. Ramsaroep en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de Overleveringswet (OLW) op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Verzoek tot aanhouding De raadsman heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen haar Poolse advocaat een verzoek in te laten dienen tot intrekking van de beslissing tot omzetting van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Die straf werd omgezet vanwege het niet betalen van de schadevergoeding aan de benadeelde partij. De opgeëiste persoon heeft inmiddels een betalingsregeling getroffen en hoopt binnen enkele maanden het bedrag volledig te hebben afbetaald. De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek tot aanhouding. De Poolse autoriteiten hebben bevestigd dat het niet betalen van de schadevergoeding de reden is geweest voor omzetting van het voorwaardelijke strafdeel, naar een onvoorwaardelijk strafdeel. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af omdat het door de opgeëiste persoon nog in te dienen verzoek tot intrekking van de beslissing tot omzetting onvoldoende concreet is. Het is niet duidelijk wanneer het verzoek zal worden ingediend en wanneer hierop een beslissing valt te verwachten. De rechtbank treedt niet in de vraag of met het treffen van een betalingsregeling is voldaan aan de door de Poolse autoriteiten gestelde voorwaarde tot betaling van een schadevergoeding. Uit het recente contact dat de Poolse autoriteiten hebben gehad met het openbaar ministerie, leidt de rechtbank af dat het EAB gehandhaafd blijft. 4Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een legally valid sentence of Sąd Rejonowy (Regional Court) in Hrubieszów of 27 March 2013, which became legally valid on 4 April 2013 (II K 134/13). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Het EAB vermeldt in onderdeel d): “ 1.d. The person was served with the decision on 2 APRIL 2013 (day/month/year) and was expressly informed about the right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and whlch allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined and which may lead to the original decision being reversed (…) ad.1d. the letter including the certified copy of the sentence of 27 March 2013 in the court case reference number il k 134/13 was personally received by the convict [opgeëiste persoon] on 2 April 2013” Overeenkomstig de eerdere beslissing van de rechtbank, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 17 maart 2019, is op basis van deze informatie sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, onder 2 OLW. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 6Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft. 7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 7 maart 2019 blijkt dat de rechtbank destijds van oordeel is geweest dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander slaagt. De opgeëiste persoon voldeed destijds
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.