RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/308379-22 RK nummer: 22/5075 Datum uitspraak: 9 februari 2023 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 november 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2019 door the Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , in een andere zaak gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 januari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft opgemerkt dat de opgeëiste persoon wil worden overgeleverd naar Polen en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de verzochte overlevering. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de verzochte overlevering toelaatbaar is. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the District Court in Szczecin van 30 juli 2018 (IV K 15/18). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Het dossier bevat een vertaling van het EAB, waarin is vermeld dat van de opgelegde vrijheidsstraf nog tien maanden zou resteren. Er zit echter ook een tweede vertaling van het EAB in het dossier, waarin is vermeld dat de opgeëiste persoon de opgelegde straf van één jaar nog volledig moet ondergaan. De informatie in die tweede vertaling vindt bevestiging in de aanvullende brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 5 november 2019, in het A-formulier van 6 augustus 2019 (Supplementary information relating to an extradition) en – naar de rechtbank begrijpt – het originele EAB in de Poolse taal. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in Zwitserland, naar de rechtbank begrijpt, in uitleveringsdetentie heeft verbleven op grond van een uitleveringsverzoek dat zag op de executie van dezelfde vrijheidsstraf die aan het onderhavige EAB ten grondslag ligt, en zodoende al een deel van de straf heeft uitgezeten. Voor de rechtbank is, gelet op voorgaande, niet geheel duidelijk wat de reststraf is. Dit levert echter geen beletsel op voor het toestaan van de overlevering, nu niet is aangevoerd noch aannemelijk is geworden dat er geen strafrestant meer is. Bij de executie van de straf in Polen zal een en ander duidelijk moeten worden. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit door de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB en de aanvullende brief van 5 november 2019 verstrekte informatie blijkt het volgende. De opgeëiste persoon heeft zijn adres opgegeven aan de autoriteiten. Hij heeft tijdens het voorbereidende onderzoek in Polen de instructie gekregen van de autoriteiten om adreswijzigingen door te geven. Daarbij is hij geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van het nalaten hiervan. Die informatie c.q. adresinstructie heeft de opgeëiste persoon op 30 september 2017 persoonlijk in ontvangst genomen. De dagvaarding voor de zitting is betekend op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres (in Polen), maar retour ontvangen door de rechtbank in Polen als ‘niet opgehaald’. De opgeëiste persoon heeft in zijn verhoor door de officier van justitie d.d. 29 november 2022 verklaard dat hij op dat moment al in Nederland verbleef. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 van de OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. 4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: mishandeling. 5Slotsom Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan. 6Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 300 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Aldus gedaan door mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.