← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:531

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/314189-22 RK nummer: 22/5123 Datum uitspraak: 9 februari 2023 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 december 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 november 2022 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , in een andere zaak gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 januari

  1. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel, en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the Regional Court in Poznań van 12 juli 2017 (III K 31/17). In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. 4Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten I en II aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven. In het EAB is verder feit III vermeld. De rechtbank begrijpt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit dit feit niet heeft aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Feit III levert naar Nederlands recht op: opzetheling. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW 5.1 Inleiding Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, van de OLW worden geweigerd als deze is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan deze twee vereisten: de opgeëiste persoon moet ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland hebben gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank heeft in een andere overleveringszaak tegen de opgeëiste persoon bij uitspraak van 9 november 2022 op basis van de door de raadsman overgelegde stukken en een advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 24 oktober 2022 geoordeeld dat de opgeëiste persoon voldoet aan deze twee vereisten. De rechtbank heeft de overlevering in die zaak geweigerd op grond van artikel 6a van de OLW en de tenuitvoerlegging van de aan het EAB ten grondslag liggende vrijheidsstraffen in Nederland bevolen. De opgeëiste persoon ondergaat momenteel die vrijheidsstraffen in Nederland. In deze zaak heeft de officier van justitie de IND gevraagd een nieuw advies uit te brengen over het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon, gelet op de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld bij het aan dit EAB ten grondslag liggende vonnis. De IND heeft dat bij brief van 19 januari 2023 gedaan. In de brief staat onder meer: “In antwoord op uw adviesverzoek van 17 januari 2023 bericht ik u dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft er niet toe leiden dat de heer [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest. Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit en ontleent zijn verblijfsrecht rechtstreeks aan het EU-Verdrag. Sinds 9 januari 2018 is hij opgenomen als EU-burger maar in de voorgaande overleveringszaak is vastgesteld dat de heer [opgeëiste persoon] sinds 2017 duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd.” 5.2 Standpunt van de raadsman De raadsman vindt dat de opgeëiste persoon ook in deze zaak met een Nederlander moet worden gelijkgesteld en dat de in Polen opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer moet worden gelegd. Daarbij heeft hij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 9 november 2022 in de andere overleveringszaak tegen de opgeëiste persoon. 5.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft opgemerkt dat de opgeëiste persoon inmiddels twee maanden van in Polen opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland heeft ondergaan en dat die detentie van de opgeëiste persoon zijn duurzaam verblijfsrecht in Nederland doorbreekt. Daarbij heeft zij verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Onuekwere, uitspraken van de rechtbank Amsterdam in andere overleveringszaken en artikel 8.17, lid 3, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over of het duurzaam verblijfsrecht van de opgeëiste persoon daadwerkelijk is doorbroken en of de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. 5.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon ook in deze zaak voldoet aan de twee vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, heeft de rechtbank in de andere overleveringszaak al vastgesteld. Daarmee heeft de opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht opgebouwd. Zijn huidige detentie maakt, mede gelet op het advies van de IND van 19 januari 2023, niet dat de opgeëiste persoon zijn duurzame verblijfsrecht heeft verloren of zal verliezen als gevolg van de opgelegde gevangenisstraf die aan dit EAB ten grondslag ligt. De jurisprudentie en artikel 8.17, lid 3, van het Vb, waar de officier van justitie naar heeft verwezen, zien op detentie in relatie tot de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht (met name op de vraag wat de invloed van detentie op de opbouw van een duurzaam verblijfsrecht is). In dit geval is het duurzaam verblijfsrecht zoals hiervoor weergegeven reeds verkregen en doet zich geen van de in artikel 8.18 van het Vb vermelde omstandigheden voor waarbij sprake is van verlies van dat recht. De opgeëiste persoon komt dus in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, van de OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. De feiten onder I en II zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op: Feit I - medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit II - opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Uit de hiervoor en onder
  2. weergegeven Nederlandse kwalificaties van de aan het EAB ten grondslag liggen feiten volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6Slotsom Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, dient de overlevering te worden geweigerd. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, 416 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 van de OLW. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań (Polen). BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde aan [opgeëiste persoon] opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] . BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Aldus gedaan door mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter, mrs. A.J. Scheijde en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2014, ECL:EU:C:2014:13 (Onuekwere (http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=146433&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1106230)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.