← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:5319

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/023443-23 (EAB IV) RK nummer: 23/236 Datum uitspraak: 1 maart 2023 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering van 24 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 november 2020 door de the Circuit Court in Katowice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 februari 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een door the Circuit Court of Katowice (Polen) op 21 december 2017 gewezen vonnis, met kenmerk XXI K 42/09. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Waarvan volgens het EAB nog 11 jaar en 10 maanden en 6 dagen resteren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. De rechtbank heeft de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen en deze tegelijkertijd onder voorwaarden geschorst. 4Heropening van de zaak De rechtbank is van oordeel dat de jegens de opgeëiste persoon aanhangige overleverings-zaken, waarbij het gaat om een zeer substantiële totale reststraf van ruim 26 jaar, gezamenlijk behandeld dienen te blijven. De rechtbank heeft geconstateerd dat in de overleveringszaken met de parketnummers 13/751104-20 (EAB III) en 13/023443-23 (EAB IV) informatie is verkregen van de Poolse collega van de raadsvrouw, naar aanleiding van zijn dossieronderzoek in de betreffende strafzaken die tot de vonnissen hebben geleid die aan EAB’s III en IV ten grondslag liggen. Dat onderzoek heeft (mogelijk) relevante informatie opgeleverd in het kader van de beoordeling van artikel 12 OLW. De rechtbank acht het van belang om ook te kunnen beschikken over de informatie die de raadsvrouw kort na de zitting van 15 februari 2023 zou ontvangen van haar Poolse collega, welke informatie afkomstig is uit (dossieronderzoek

  1. in)de Poolse strafzaken die tot de vonnissen hebben geleid die ten grondslag liggen aan de EAB’s met de parketnummers 13/751941-18 (EAB I) en 13/751994-19 (EAB II). Die informatie kan de rechtbank slechts beoordelen en in de door haar te nemen beslissingen betrekken indien zij voorwerp van onderzoek is geweest bij gelegenheid van een nadere behandeling ter zitting. Mogelijk is die informatie ook nog relevant voor die zaken waarover de raadsvrouw eerder door haar Poolse collega is geïnformeerd, de EAB’s III en IV. De vraag in hoeverre dat het geval is en, zo ja, tot welke beslissingen dat zou moeten leiden dient tevens voorwerp van onderzoek tijdens een nader onderzoek ter zitting te zijn. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een heropening en schorsing van het onderzoek ter zitting in deze en de overige zaken aangewezen. De raadsvrouw wordt dan ook uitdrukkelijk uitgenodigd de genoemde aangekondigde en mogelijk overige informatie die nog beschikbaar komt aan de rechtbank te overleggen. De rechtbank acht het voorts van belang dat de opgeëiste persoon – bij gelegenheid van de nadere zitting en meer dan tijdens de eerdere zitting het geval was – zich beraadt op zijn ter terechtzitting gegeven verklaringen, nu zijn mededeling dat hij zich weinig tot niets meer van die tijd kan herinneren niet op voorhand aannemelijk is geworden in het licht van de aard en de omvang van de zaken waarvoor hij is veroordeeld in Polen. 5Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, gelet op hetgeen onder 4. is overwogen. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. A. Pahladsingh en L. Dolfing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 maart 2023. Mr. A. Pahladsingh is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel
  2. e)van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.