RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/752080-18 RK nummer: 19/493 Datum uitspraak: 17 mei 2023 UITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2018 door the Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 26 september 2019 De vordering is behandeld op de openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek ter zitting is gesloten. De rechtbank heeft – met terugwerkende kracht – de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tussenuitspraak van 10 oktober 2019 De rechtbank heeft bij tussenuitspraak het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten omtrent de Poolse rechtstaatkwestie. In de tussenuitspraak is onder andere overwogen dat: - de stukken van het EAB genoegzaam zijn; - de weigeringsgrond van artikel 13 eerste lid aanhef onder b OLW (oud) van toepassing is, maar dat de rechtbank op grond van artikel 13, tweede lid, OLW (oud) afziet van weigering van de overlevering. De rechtbank merkt op dat de Overleveringswet op onderdelen is gewijzigd en dat deze Herimplementatiewet op 1 april 2021 in werking is getreden. Toetsing aan de gewijzigde artikelen leidt niet tot andere oordelen dan die volgen uit voornoemde tussenuitspraak. De in deze uitspraak opgenomen beslissingen dienen hier dan ook als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Zitting van 15 maart 2023 De behandeling van de vordering is met instemming van de opgeëiste persoon en de officier van justitie in gewijzigde samenstelling hervat in de stand van het onderzoek ter zitting van 26 september
- Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling van de zaak is aangehouden voor onbepaalde tijd omdat er een concrete telefonische toezegging is gedaan door de Poolse officier van justitie die er toe strekt dat de opgeëiste persoon vanaf 8 april 2023 in Polen zal worden gehoord en daar vervolgens geschorst zal worden onder betaling van een borgsom. Zitting van 19 april 2023 De behandeling van de vordering is hervat. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft verzocht om over 4 weken in plaats van over 2 weken uitspraak te doen om de ontwikkelingen in Polen af te wachten. Verdere verzoeken om aanhouding zouden niet meer worden gedaan. De opgeëiste persoon dient zich namelijk op maandag 24 april 2023 bij de Poolse justitie te melden en mogelijk leidt dat er toe dat in deze zaak tussen de Poolse officier van justitie en de opgeëiste persoon een overeenkomst wordt gesloten die ertoe zal leiden dat het EAB wordt ingetrokken. De raadsman heeft hiertoe twee e-mails van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon aan de rechtbank overgelegd. De raadsman heeft ter zitting toegezegd uiterlijk op 10 mei 2023 de rechtbank te zullen berichten over de stand van zaken. De rechtbank heeft bepaald dat op 17 mei 2023 het onderzoek ter zitting, met toestemming van de verdediging, door één rechter zal worden gesloten en dat direct daaropvolgend uitspraak zal worden gedaan. De hiervoor genoemde informatie heeft de rechtbank niet bereikt vóór de sluiting van het onderzoek. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court for Szczecin – Prawobrzeze & Zachód in Sczczecin, 6th Criminal Division van 25 juli 2018 (dossiernummer: VI Kp 796/18). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1, te weten: deelneming aan een criminele organisatie. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Klomp, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en R.A. Sipkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 mei
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.
- Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).