← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:5362

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/070590-23 Datum uitspraak: 30 mei 2023 UITSPRAAK op de vordering van 28 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 oktober 2022 door The District Court in Decin (Tsjechië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] Geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Tsjechië) ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 mei 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Tsjechische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Judgment of the District Court in Decin of 23/05/2019, Reference 4 T 129/2016, in conjunction with the Judgment of the Regional Court in Ûsti nad Labem of 01/02/2022, Reference 5 To 208/2020, with legal power acquired on 01/02/2022. Reference No. : 4 T 129/2016. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 20 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens informatie van het EAB nog 12 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (

  1. i)het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (
  2. ii)de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d): “The person in question was not served with the decision in person, however - the person in question will be served with this decision immediately after the surrender; and - when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the change of the original decision, and - the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 8 days.” Naar het oordeel van de rechtbank voldoet voormelde informatie aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. 5. Strafbaarheid 5.1. Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De rechtbank begrijpt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit feit 1 in het EAB aanwijst als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 14, te weten: Moord en doodslag, zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De rechtbank begrijpt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten 2 tot en met 5 niet heeft aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: Feiten 2, 4 en 5: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd. Feit 3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The District Court in Decin (Tsjechië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
  3. e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter, mrs. P. van Kesteren en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 mei 2023. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel
  4. e)van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.