RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/079216-23 Datum uitspraak: 14 juni 2023 UITSPRAAK op de vordering van 30 maart 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 januari 2022 door the Kaunas Regional Court (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1983 zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland gedetineerd in [detentieplaats] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.D. Renshof, advocaat in Hoorn en door een tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een judgement of Kaunas Regional Court of 18 December 2019. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twaalf jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld, maar dat is afgewezen. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt raadsvrouw Uit de door de Litouwse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 11 februari 2020 in persoon is opgeroepen voor het proces in hoger beroep. De opgeëiste persoon ontkent dit ten stelligste omdat hij al op 18 december 2019 is vertrokken uit Litouwen. Zijn moeder, zijn ex-vrouw en een vriend bevestigen dit middels schriftelijke verklaringen, die door de opgeëiste persoon zijn overgelegd. Volgens de Litouwse advocaat blijkt uit het strafdossier van de opgeëiste persoon niet dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Opmerkelijk is dat volgens informatie van de Litouwse autoriteiten op 11 februari 2020 de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen en dat op diezelfde datum een advocaat aan hem door de Staat is toegewezen. Ook de mededeling van de Litouwse autoriteiten dat de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde raadsman kan niet kloppen. De in eerste aanleg gemachtigde advocaat kon namelijk, nadat hij overeenstemming met de opgeëiste persoon had bereikt over het opstellen en indienen van het beroepschrift, geen contact meer met hem krijgen. Deze advocaat heeft vervolgens de verdediging neergelegd. Het is opmerkelijk dat daarna een toegewezen advocaat wel ineens gemachtigd zou zijn. Primair dient op grond van artikel 12 OLW de overlevering te worden geweigerd nu er zich geen van de situaties als genoemd in artikel 12 OLW hebben voorgedaan. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk wist van de datum en tijdstip van de behandeling in hoger beroep en kan er niet worden gezegd dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In het geval de rechtbank niet overgaat tot weigering van de overlevering op grond van artikel 12 OLW verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van de zaak om de in de Litouwse taal opgestelde processtukken te laten vertalen en hierover nadere inlichtingen aan de Litouwse autoriteiten te vragen. Standpunt officier van justitie De rechtbank kan afzien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon verklaart dat hij in het bezit was van een vals reisdocument om in Nederland niet te worden aangehouden. Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon zich onvindbaar heeft willen maken. Bovendien is de opgeëiste persoon samen met zijn gemachtigd advocaat aanwezig geweest op de zitting in eerste aanleg en is er overleg geweest tussen de opgeëiste persoon en zijn advocaat over het instellen van hoger beroep. Dat de opgeëiste persoon vervolgens op 18 december 2019 naar Nederland is vertrokken, doet hier niets aan af. Oordeel van de rechtbank Uit het EAB en de aanvullende informatie van de Litouwse autoriteiten blijkt dat op 18 december 2019 the Kaunas Regional Court een vonnis in eerste aanleg heeft gewezen en dat op 9 april 2020 The Court of Appeal of Lithuania een arrest in hoger beroep heeft gewezen. Als de strafprocedure meerdere instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, kan de laatste van die beslissingen – in dit geval het arrest in hoger beroep van 9 april 2020 – relevant zijn voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW. Dat is het geval als bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. Nu uit de door Litouwse autoriteiten op 23 mei 2023 verstrekte informatie naar voren komt dat het in hoger beroep is gegaan over de schuld en straf van de opgeëiste persoon, zal de rechtbank alleen het arrest van The Court of Appeal of Lithuania toetsen aan artikel 12 OLW. Bij brief van 23 mei 2023 hebben de Litouwse autoriteiten vermeld dat in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg is beoordeeld. Het door de raadsman ingestelde appel is afgewezen waarbij de zaak ten gronde is behandeld. Uit het bij de brief gevoegde
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.