← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:5385

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 10388369 CV EXPL 23-3533 vonnis van: 31 augustus 2023 fno.: 57327 vonnis van de kantonrechter I n z a k e

  1. de naamloze vennootschap OHRA Zorgverzekeringen NV
  2. de onderlinge waarborgmaatschappij CZ Groep U.A. beide gevestigd te Tilburg eiseressen samen nader te noemen in enkelvoud: OHRA gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde nader te noemen: [gedaagde] procederend in persoon. VERLOOP VAN DE PROCEDURE de dagvaarding van 23 januari 2023, met producties; het proces-verbaal van het mondelinge antwoord; het instructievonnis; de conclusie van repliek, met producties. Hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van dupliek genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING De feiten
  3. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast. 1.
  4. [gedaagde] heeft bij OHRA een zorgverzekering afgesloten. Voor deze zorgverzekering moet [gedaagde] maandelijks premie betalen. De hoogte van de premie is € 129,45 per maand voor de basisverzekering, € 7,95 per maand voor de aanvullende verzekering en € 16,86 per maand voor de tandartsverzekering. In totaal is de premie € 154,26 per maand. 1.
  5. [gedaagde] heeft een deel van de premie van de maanden januari 2022 en maart 2022 niet betaald. 1.
  6. In de betalingsherinnering van de gemachtigde van OHRA van 24 november 2022 staat dat [gedaagde] incassokosten van € 40,00 moet betalen, als hij het bedrag niet betaalt binnen vijftien dagen nadat het bericht bij hem is bezorgd. De vordering
  7. OHRA vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:a. € 183,71 aan hoofdsom; b. € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; c. € 0,76 aan wettelijke rente, berekend tot 23 januari 2023; d. de wettelijke rente over € 183,71 vanaf 23 januari 2023 tot er is betaald;e. de proceskosten.
  8. OHRA stelt dat [gedaagde] op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst maandelijks premie moet betalen. Deze premie moet [gedaagde] steeds zelf vóór de eerste van iedere maand betalen. Een deel van de premies van de maanden januari en maart 2023 heeft [gedaagde] niet betaald.
  9. OHRA en Flanderijn, de gemachtigde van OHRA, hebben verschillende herinneringen gestuurd naar [gedaagde] . Omdat [gedaagde] het bedrag niet betaalde, heeft OHRA de zaak voor de kantonrechter gebracht. Het verweer
  10. [gedaagde] heeft bij de kantonrechter op 16 maart 2023 aangevoerd dat hij een aantal keren de premie niet heeft betaald. Dit kwam omdat het niet lukte om de automatische incasso over te zetten naar een ander rekeningnummer. [gedaagde] heeft hierover verschillende keren contact gehad met OHRA, maar zij heeft dit steeds niet verwerkt. Deze openstaande premie is door OHRA vervolgens overgedragen aan de deurwaarder, terwijl [gedaagde] OHRA had gevraagd dit bedrag mee te nemen in een betalingsregeling die al was getroffen voor een ander bedrag. Dit heeft OHRA geweigerd.
  11. [gedaagde] betwist niet dat hij de hoofdsom moet betalen, maar hij vind het wel onterecht dat hij de bijkomende kosten moet betalen omdat deze procedure onnodig is. De beoordeling
  12. De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde] het bedrag van € 183,71 voor de premies van de maanden januari en maart 2023 moet betalen aan OHRA.
  13. [gedaagde] heeft niet gereageerd op de nadere standpunten die OHRA bij repliek heeft ingediend en ook niet op de daarbij overgelegde bewijsstukken. Daarom gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stukken.
  14. Omdat [gedaagde] de hoofdsom niet betwist, bepaalt de kantonrechter dat [gedaagde] het bedrag van € 183,71 moet betalen.
  15. OHRA wil dat [gedaagde] ook de buitengerechtelijke incassokosten betaalt. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Hierover oordeelt de kantonrechter als volgt.
  16. [gedaagde] voert aan dat hij een gewijzigd rekeningnummer heeft doorgegeven voor de automatische afschrijving van de premies, maar dit wordt betwist door OHRA. [gedaagde] heeft dit niet meer weerlegd.
  17. Verder zegt [gedaagde] dat hij heeft gevraagd om het openstaande bedrag mee te nemen in de betalingsregeling die al was getroffen voor een andere achterstand. Dit zou OHRA hebben geweigerd. Maar OHRA heeft een brief van 3 juni 2022 overgelegd (productie 8a). Hierin is te lezen dat er een betalingsregeling is getroffen en dat de achterstand waarover het in deze procedure gaat, hierin is meegenomen. Op bladzijde 3 van de brief staat namelijk een overzicht van de bedragen die in de betalingsregeling zijn opgenomen en hierin staan ook de premies van januari en maart
  18. De betalingsregeling hield onder andere in dat de achterstand in 7 termijnen zou worden betaald en dat het bedrag zou worden afgeschreven van de rekening van [gedaagde] op de data zoals aangegeven in het aflossingsschema. Ook is in de brief vermeld dat de betalingsregeling komt te vervallen als [gedaagde] afwijkt van de voorwaarden. OHRA geeft in de brief aan dat zij in dat geval verder gaat met haar werkwijze, wat kan betekenen dat OHRA het openstaande bedrag in behandeling geeft bij een deurwaarder en dat er extra kosten in rekening kunnen worden gebracht.
  19. Nadat deze betalingsregeling was getroffen, is er op 1 juli 2022 een bedrag van € 100,00 afgeschreven van de rekening van [gedaagde] . OHRA heeft toegelicht dat zij dit in mindering heeft gebracht op de aanvullend premie van de maand januari 2022 en het resterende bedrag op de premie van de basisverzekering van de maand januari
  20. Op 1 augustus kon het afgesproken aflossingsbedrag niet worden afgeschreven. Daarom heeft OHRA op 10 augustus 2022 een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin zij aangaf de betalingsregeling te beëindigen.
  21. Voor [gedaagde] kon duidelijk zijn wat de gevolgen zouden zijn als hij zich niet hield aan de betalingsregeling. Dit heeft OHRA duidelijk vermeld in haar brief van 3 juni
  22. Vervolgens hebben zowel OHRA als Flanderijn meerdere brieven gestuurd waarbij [gedaagde] in staat is gesteld het openstaande bedrag alsnog te betalen. In de brief van 7 oktober 2022 heeft Flanderijn aan [gedaagde] laten weten dat hij gedagvaard zal worden als hij niet betaalt. Op 24 november 2022 heeft Flanderijn een e-mail gestuurd aan [gedaagde] , waarin de incassokosten zijn aangekondigd. De ontvangst van deze brieven en e-mail heeft [gedaagde] niet betwist. OHRA heeft bovendien onbetwist gesteld dat [gedaagde] op 24 januari 2023 nog in de gelegenheid is gesteld de volledige vordering te voldoen om zo de zitting te voorkomen.
  23. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat OHRA voldoende heeft gedaan om [gedaagde] in staat te stellen het openstaande bedrag te voldoen, zonder bijkomende kosten. Omdat [gedaagde] desondanks niet heeft betaald, heeft OHRA terecht buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De betalingsherinnering zoals beschreven onder 1.
  24. voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom wordt het bedrag aan buitengerechtelijke kosten toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, omdat [gedaagde] te laat is met betalen.
  25. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld. Daarom moet hij de proceskosten betalen. BESLISSING De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan OHRA van: - € 183,71 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2023 tot alles is betaald; - € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; - € 0,76 aan wettelijke rente, berekend tot 23 januari 2023; veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van OHRA begroot op:exploot € 129,74salaris € 78,00griffierecht € 128,00 -----------------totaal € 335,74voor zover van toepassing, inclusief btw; veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 19,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2023 in tegenwoordigheid van mr. D.C. Vink, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.