← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2023:5540

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/125535-23 Datum uitspraak: 3 augustus 2023 UITSPRAAK op de vordering van 25 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2021 door de District Court Nitra (Okresný súd Nitra), Slowakije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 juli 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. Mcgivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest warrant of the District Court Nitra (Okresný súd Nitra) of 7 April 2021, reference number 21Tp/13/2021. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Slowaaks recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Slowakije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan wanneer is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De judge for pre-trial proceeding van de District Court Nitra heeft de volgende garantie gegeven: With reference to Article 5

(3)of the Framework Decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States, the District Court Nitra hereby declares that in case accused [opgeëiste persoon] is found guilty within the territory of the Slovak Republic and is sentenced for unconditional punishment of imprisonment, he may serve the imposed sentence in the Netherlands, however, only after permitting of surrender of the sentenced person for service of imprisonment in foreign country. Surrendering of the sentenced person for service of imprisonment in foreign country is subject to decision of the Ministry of Justice of the Slovak Republic and such decision is issued upon motion of either the sentenced person, or of the country whereto the person is to be surrendered or of the court that issued the sentencing judgment in the first instance. Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Minister van Justitie bij zijn beslissing over de terugkeer naar Nederland verplicht is om de Slowaakse wetgeving kaderbesluitconform toe te passen en uit te leggen. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De raadsman heeft verzocht de overlevering op grond van artikel 13 OLW te weigeren. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat Slowakije met het uitvaardigen van het EAB heeft aangegeven de opgeëiste persoon te willen vervolgen, het onderzoek in Slowakije is aangevangen, de amfetamine in Slowakije is ingevoerd en het Openbaar Ministerie in Nederland niet voornemens is om een vervolging in te stellen voor de amfetamine die in Slowakije is ingevoerd. De rechtbank stelt voorop dat:
  1. aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
  2. de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7Overige verweren 7.
  3. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW De raadsman heeft primair bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW, omdat sprake zou zijn van overlap tussen de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht en de feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking in een Nederlandse strafzaak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de overlevering te bevriezen, zodat de opgeëiste persoon zich in de Nederlandse strafzaak tegen hem adequaat kan verdedigen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overlap. De Slowaakse autoriteiten verzoeken de overlevering voor amfetamine die vanuit Mexico Slowakije is ingevoerd in de periode van juli 2019 tot en met mei
  4. De Nederlandse vervolging in onderzoek ‘Kiwi’, ziet op andere hoeveelheden van het verdovend middel cocaïne in de periode van 27 maart 2020 tot 29 mei 2020 in Den Haag, Spanje en Engeland. Het subsidiaire verzoek tot het uitstellen van de feitelijke overlevering, komt pas aan de orde in de fase van feitelijke overlevering nadat de overlevering reeds is toegestaan, zodat dit niet aan de beslissing tot overlevering in de weg staat. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW overlevering van de opgeëiste persoon niet wordt toegestaan voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of in Nederland een strafvervolging tegen de opgeëiste persoon loopt en dat die strafvervolging betrekking heeft op hetzelfde feit als het EAB. Met de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat dit niet het geval is. Uit het EAB volgt dat de overlevering wordt verzocht voor betrokkenheid bij het produceren en vervoeren van amfetamine in de periode van juli 2019 tot en met mei
  5. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 19 mei 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor soortgelijke feiten met een overlappende pleegperiode, maar voor een andere drugssoort, namelijk cocaïne in plaats van amfetamine. Verder betreft het blijkens de toelichting van de officier van justitie ter zitting andere hoeveelheden en pleeglocaties. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het overleveringsverzoek dus op een ander feit, dan waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd. De rechtbank verwerpt het verweer en wijst ook het subsidiaire verzoek van de raadsman af. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 Overleveringswet. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan District Court Nitra (Okresný súd Nitra) (Slowakije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van Kesteren, voorzitter, mrs. B. Yeşilgöz en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 augustus
  6. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.