vonnis RECHTBANK AMSTERDAM afdeling privaatrecht Zaaknummer en rolnummer: 10184802 / CV EXPL 22-14556 Uitspraak: 2 maart 2023 Vonnis van de kantonrechter in het incident in de zaak van: 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats 1] ,
- [eiser 2] , wonende te [woonplaats 1] ,
- [eiser 3] , wonende te [woonplaats 2] , gemeente Haarlemmermeer,
- [eiser 4] , wonende te [woonplaats 2] , gemeente Haarlemmermeer, eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het incident, gemachtigde: mr. M.A. Johannsen, t e g e n 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 3] , gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
- [gedaagde 2] , h.o.d.n. [handelsnaam] , wonende te [woonplaats 3] , gedaagde in de hoofdzaak, procederende in persoon,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, GE Amsterdam B.V. gevestigd te Weesp, gedaagde in de hoofdzaak, procederende in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als [eisers] en [gedaagden] Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en GE Amsterdam genoemd worden. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 26 oktober 2022, met producties, het antwoord gestuurd per e-mail van 6 december 2022 van GE Amsterdam, met een bijlage, de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde 1] , het antwoord gestuurd per e-mail van 5 januari 2023 van [gedaagde 2] , met twee bijlagen, het antwoord in de vrijwaring van 2 februari 2023 van [eisers] Daarna is vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING 1Het geschil in de hoofdzaak 1.
- Het geschil ziet – kort gezegd – op de vraag of [gedaagden] verplicht zijn om schadevergoeding te betalen aan [eisers] vanwege een onrechtmatige daad. 1.
- [eisers] stellen zich op het standpunt dat zij schade hebben geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagden] [eisers] en [gedaagde 1] zijn allen eigenaar (geweest) van een woning in het pand aan de [adres] . Het pand kent vijf etages. [gedaagde 1] is de eigenaar van de bovenste woning aan de [adres] . Op enig moment heeft Immanuel haar woning laten verbouwen. Tijdens deze verbouwing hebben op 3 juli 2021 en op 22 augustus 2021 twee lekkages plaatsgevonden. [eisers] vorderen in de hoofdzaak schadevergoeding ter hoogte van € 18.475,80 van de volgens hen hoofdelijk aansprakelijke partijen. Dat zijn volgens [eisers] Immanuel als eigenaar van de woning, [gedaagde 2] als bouwbegeleider en GE Amsterdam als de ingeschakelde aannemer. 2Het geschil in het incident 2.
- [gedaagde 1] vordert dat haar wordt toegestaan [gedaagde 2] en GE Amsterdam in vrijwaring op te roepen. 2.
- [gedaagde 1] heeft aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft er belang bij om [gedaagde 2] en GE in vrijwaring op te roepen. [eisers] vorderen in de hoofdzaak een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] Indien dat wordt toegewezen, staan de gedaagden in een regresverhouding jegens elkaar (art. 6:10 BW en art. 6:101 en art. 6:102 BW). De onderlinge bijdrageplicht van de hoofdelijk schuldenaren dient in de vrijwaringsprocedure te worden vastgesteld. [gedaagde 1] zal zich dan op het standpunt stellen dat haar bijdrageplicht verwaarloosbaar is ten opzichte van de overige gedaagden. Immanuel heeft in dat verband het volgende aangevoerd. GE heeft al erkend dat haar werknemers vijf dagen voor de lekkage van 3 juli 2021 tijdens aan de keuken uitgevoerde sloopwerkzaamheden de zich daar bevindende waterleiding per ongeluk hebben ingezaagd en vervolgens geen (nood)reparatie m.b.t. deze waterleiding hebben uitgevoerd, maar in plaats daarvan de hoofdkraan in de woning van [gedaagde 1] hebben dichtgedraaid en de waterleiding hebben achtergelaten in de beschadigde staat, zonder een waarschuwingsbriefje. Dat is nalatig en levert een schending van de zorgplicht op. Verder geldt dat [gedaagde 2] (en de werknemers van GE) op de dag voor de ontdekking van de lekkage als laatsten aanwezig zijn geweest in het appartement en dus verantwoordelijkheid dragen voor het achterlaten van het appartement op een wijze dat geen schade wordt toegebracht aan derden. [gedaagde 1] is noch door GE, noch door [gedaagde 2] geïnformeerd over de scheur in de waterleiding. Zij woonde gedurende de gehele periode van de verbouwing elders en zou via haar bouwcoördinator [gedaagde 2] op de hoogte worden gehouden van het verloop van de verbouwing. Zij kwam pas na de lekkage te weten over de bewuste gescheurde (ingezaagde) en waterlekkende waterleiding. 2.
- [eisers] refereren zich aan het oordeel van de kantonrechter. 2.
- De kantonrechter overweegt als volgt. Voor toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat eiser in het incident, de gewaarborgde, zich met redenen omkleed beroept op een rechtsverhouding met een derde, de waarborg, die meebrengt dat de waarborg verplicht is om de nadelige gevolgen van een eventuele veroordelende beslissing tegen de gewaarborgde in de hoofdzaak te dragen. Het bestaan van die rechtsverhouding behoeft in het vrijwaringsincident niet vast te staan. [gedaagde 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat tussen haar en [gedaagde 2] , en tussen haar en GE Amsterdam, een rechtsverhouding kan bestaan die tot vrijwaring verplicht, zodat aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring is voldaan. De incidentele vordering zal worden toegewezen. 2.
- Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. BESLISSING De kantonrechter: in het incident I. staat toe dat [gedaagde 2] en GE Amsterdam worden gedagvaard door [gedaagde 1] tegen de rolzitting van 31 maart 2023, II. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de hoofdzaak III. verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2023 voor antwoord in de hoofdzaak aan de kant van [gedaagde 1] . Aldus gewezen door mr. M.R. Jöbsis, kantonrechter, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart
- De griffier De kantonrechter