vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 81-043730-22 Datum uitspraak: 12 januari 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] . 1Onderzoek op de zitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 13 en 14 november 2023. Verdachte (hierna: [verdachte] ) was hierbij aanwezig. Op 12 januari 2024 is het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. J.S. de Weijer en H.H.M. Beune (hierna: de officier van justitie) en van wat [verdachte] en zijn raadsman mr. J.P.M. Denissen naar voren hebben gebracht. Op de zitting zijn de zaken van [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 1] (81-043803-22), [medeverdachte 2] (81-043893-22) en [medeverdachte 3] (81-043904-22) gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld. De rechtbank doet in alle vier de zaken tegelijk uitspraak. 2Tenlastelegging [verdachte] wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij, in de periode van 19 augustus 2016 tot en met 2 november 2017 in Beverwijk en/of Spaarndam (Nederland) en Bad Bentheim en/of Ochtrup (Duitsland), heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, met als oogmerk de illegale handel in professioneel vuurwerk. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen Op grond van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de rechtbank, voordat zij aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt, eerst onderzoeken of de dagvaarding geldig is, of de rechtbank bevoegd is om over de zaak te oordelen en of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. 3.1 Geldigheid van de dagvaarding Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat de ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie zodanig algemeen en ruim is geformuleerd, dat het voor [verdachte] onvoldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd, ook niet wanneer de tenlastelegging wordt bezien in samenhang met het strafdossier. Te meer nu het misdrijf waarop de criminele organisatie het oogmerk zou hebben, niet separaat ten laste is gelegd. Hierdoor kan hij zich niet effectief verdedigen. De raadsman verwijst in dit kader ook naar een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:262. De ten laste gelegde pleegperiode beslaat namelijk een ruime periode en er zijn ook geen concrete uitvoeringshandelingen opgenomen. Verder is het dossier bijzonder omvangrijk en niet enkel gericht op de verdenking van deelname aan een criminele organisatie. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is. Zij merkt daarbij op dat deelname aan een criminele organisatie ten laste kan worden gelegd zonder grondfeiten. Daar is in dit geval voor gekozen om proceseconomische redenen. Verder wijkt het vonnis waar de raadsman naar verwijst op cruciale punten af van deze zaak. Het door de raadsman aangehaalde vonnis geeft een ondergrens aan. De tenlastelegging in deze zaak voldoet hier ruimschoots aan. Oordeel van de rechtbank Artikel 261 Sv bepaalt dat de dagvaarding een opgave moet bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Hieraan ligt ten grondslag dat één van de functies van de tenlastelegging is dat de verdachte weet waarvoor hij vervolgd wordt en waartegen hij zich moet verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv op grond van het volgende. Om te beginnen volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor een op artikel 140 Sr (deelname aan een criminele organisatie) toegesneden tenlastelegging niet de eis geldt dat daarin gespecificeerd wordt op welke concrete misdrijven het oogmerk van de organisatie is gericht en uit welke handelingen de deelneming aan die organisatie heeft bestaan (vergelijk ECLI:NL:PHR:2018:1494 bij HR 12 februari 2019; ECLI:NL:HR:2019:218; HR 26 november 1985, NJ 1986/389; en HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Verder is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is wanneer deze wordt bezien in samenhang met het strafdossier. Daarbij komt dat voorafgaand aan de zitting, op 23 oktober 2023, een informeel (digitaal) overleg heeft plaatsgevonden, waaraan de raadsman heeft deelgenomen, en waarin de officier van justitie nader heeft toegelicht waar het zwaartepunt van de verdenking op ligt en welke stukken zij daarvoor relevant vindt. Op 26 oktober 2023 heeft de officier van justitie – zoals aangekondigd tijdens het informele overleg – een bewijsmiddelenoverzicht (in de visie van het Openbaar Ministerie) aan de rechtbank en de procespartijen toegezonden. Gelet op al deze omstandigheden tezamen, vindt de rechtbank dat het voor [verdachte] voldoende duidelijk is geweest waartegen hij zich moest verdedigen. De dagvaarding is dus geldig. 3.2 Bevoegdheid rechtbank Standpunt van de raadsman Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank is door de raadsman aangevoerd dat niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, zoals bedoeld in artikel 7 Sr. Van het vuurwerk is niet gebleken op welke wijze dit in Nederland strafbaar zou zijn. Het vuurwerk is uitsluitend beoordeeld naar Duitse maatstaven en de conclusie was dat het vuurwerk in Duitsland niet zonder meer strafbaar is. Verder speelt ook mee dat in de tenlastelegging pleegplaatsen in Duitsland worden genoemd. De conclusie moet dan ook luiden dat Nederland geen rechtsmacht heeft en de rechtbank niet bevoegd is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat de rechtbank wel bevoegd is. In deze zaak is een op artikel 140 Sr toegesneden feit ten laste gelegd en niet de handel in professioneel vuurwerk. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft zich in zijn uitspraak van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK6328) uitgelaten over de vraag of sprake is van rechtsmacht voor een feit begaan in het buitenland als in de tenlastelegging van dat feit zowel Nederland als een ander land als pleegplaats zijn genoemd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er in dat geval ook vervolging mogelijk is in Nederland voor de strafbare gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden Voor die buitenlandse gedragingen geldt dan niet de eis van dubbele strafbaarheid van artikel 7 lid 1 Sr. In de tenlastelegging worden zowel pleegplaatsen in Nederland (Beverwijk en Spaarndam) als in Duitsland (Bad Bentheim en Ochtrup) genoemd. De rechtbank constateert dat het ten laste gelegde feit in beide landen is gepleegd (zoals hierna onder 4.4 zal worden besproken). Dat betekent dat Nederland rechtsmacht heeft en de rechtbank bevoegd is. De rechtbank verwerpt het verweer. 3.3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van [verdachte] vanwege de ruime overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat hierdoor geen adequate verdediging meer mogelijk is. De redelijke termijn is (bijna) vijf jaar geleden aangevangen, met de doorzoeking van de woning van [verdachte] op 20 november 2018. Inmiddels zijn twee medeverdachten, [naam overledene 1] en [naam overledene 2] , overleden. Zij kunnen daardoor niet meer op verzoek van de verdediging worden gehoord, terwijl de verdediging daar wel belang bij heeft. [naam overledene 1] wordt namelijk – samen met [verdachte] – omschreven als leidinggevende van de criminele organisatie en [naam overledene 2] heeft belastend over [naam overledene 1] en [verdachte] verklaard. Zo heeft [naam overledene 2] tijdens een politieverhoor het volgende verklaard: “V: Op 18 november 2016 had u bij de firma Mysk een Mercedes met het kenteken [kenteken] gehuurd. Deze auto staat in het bezoekersregister van Muni Berka die dag geregistreerd met als bestemming: " [verdachte] ." wat kunt u hierover verklaren? A: Die heb ik toen gehuurd voor [naam overledene 1] ja. Dat klopt”. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging. De rechten van de verdediging zijn door het overlijden van twee medeverdachten niet in onevenredige mate geschonden. Daarbij merkt de officier van justitie op dat [naam overledene 1] een maand na de doorzoeking van de woning van [verdachte] (in 2018) is overleden, waardoor een zeer spoedige berechting niet tot gevolg zou hebben gehad dat [naam overledene 1] wel nog had kunnen worden gehoord. Het voorgaande geldt in zekere mate ook voor [naam overledene 2] . Hij is in januari 2020 overleden. Oordeel van de rechtbank In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn begint te lopen vanaf het moment dat door de Staat ten aanzien van een verdachte een handeling wordt verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting mocht ontlenen dat een strafvervolging tegen hem zal hem worden ingesteld. Vanaf dat moment moet een strafzaak in beginsel binnen twee jaar tot een afronding komen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel – gelijk de raadsman en de officier van justitie – dat de redelijke termijn in deze zaak is gestart op 20 november 2018. Dit is de dag waarop de woning van [verdachte] is doorzocht op grond van een machtiging van een rechter-commissaris, waarbij onder meer gegevensdragers, administratie en geld in beslag zijn genomen. Aan [verdachte] is daarbij weliswaar – zover de rechtbank kan zien – niet expliciet medegedeeld dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, maar uit de aard van deze opsporingshandelingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] daaraan in redelijkheid de verwachting mocht ontlenen dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. De zaak had in beginsel uiterlijk twee jaar later, op 20 november 2020, afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op 12 januari 2024 uitspraak. De redelijke termijn is dus met zo’n drie jaar en drie maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. De vraag is dan of, gelet op wat de raadsman hierover naar voren heeft gebracht, deze termijnoverschrijding ook tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie moet leiden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 17 juni 2018 bepaald dat de overschrijding van de redelijke termijn als zodanig geen grond vormt voor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, r.o. 3.21). De aanspraak op een redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak strekt er echter niet toe de verdedigingsrechten te waarborgen, zoals het recht getuigen te ondervragen, zo oordeelde de Hoge Raad in zijn uitspraak van 13 september 2016 (HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51, r.o. 2.3.2). De Hoge Raad vervolgde dat de in het arrest uit 2008 geformuleerde uitgangspunten en regels alleen verband houden met het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en niet gelden voor de beoordeling van inbreuken op de verdedigingsrechten. Die uitgangspunten en regels gelden dus ook niet als die inbreuk het gevolg is van enkel tijdsverloop. Dit betekent dat inbreuken op verdedigingsrechten opzichzelfstaand moeten worden beoordeeld en dat daarop een eigenstandig sanctiearsenaal van toepassing is. De Hoge Raad heeft daarover in zijn uitspraak van 13 september 2016 het volgende overwogen (r.o. 2.3.4): “Bij een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte die niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, komt de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging niet in aanmerking, behoudens in het uitzonderlijke geval dat die inbreuk van dien aard is en zodanig ernstig dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Daarbij verdient opmerking dat het in de eerste plaats moet gaan om een inbreuk die onherstelbaar is en die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Bovendien moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen - in de bewoordingen van het EHRM - dat "the proceedings as a whole were not fair". Uit een en ander volgt dat de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in beeld kan komen. Aan de motivering van die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring worden hoge eisen gesteld”. De rechtbank moet in deze zaak dus beoordelen of met het niet kunnen (doen) horen van de getuigen [naam overledene 1] en [naam overledene 2] , het voor [verdachte] niet langer mogelijk is geweest een adequate verdediging te voeren en daarmee sprake is van een dusdanige inbreuk op zijn verdedigingsrechten dat daardoor niet langer kan worden gesproken van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De rechtbank vindt dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier, maar ook het requisitoir, blijkt dat de verklaring van [naam overledene 2] niet heeft bijgedragen aan de verdenking tegen [verdachte] . De verdenking tegen [verdachte] is gestoeld op (met name) de bezoekersregistratie van het bunkercomplex Muni Berka, waar het vuurwerk werd opgeslagen, tezamen met de transportdocumenten en facturen betreffende datzelfde vuurwerk, de bij [verdachte] aangetroffen administratie en de bakengegevens van de destijds bij hem in gebruik zijnde auto. Daarnaast is ook waarde gehecht aan de verklaringen van enkele getuigen, maar de verklaring van [naam overledene 2] behoort daar niet toe. Nu de verklaring van [naam overledene 2] niet heeft bijgedragen aan de verdenking tegen [verdachte] , valt ook niet, althans niet zonder nadere toelichting, in te zien dat het niet nader kunnen horen van [naam overledene 2] tot gevolg heeft dat geen adequate verdediging kon worden gevoerd. Ten aanzien van [naam overledene 1] heeft de raadsman in zijn geheel niet toegelicht dat en waarom het niet langer kunnen horen van deze getuige heeft gemaakt dat geen adequate verdediging meer mogelijk is. Een en ander maakt dat naar het oordeel van de rechtbank de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie niet aan de orde is. De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met de schending van de redelijke termijn. Het verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, verworpen zodat de officier van justitie kan worden ontvangen in zijn vervolging. 3.4 Conclusie voorvragen De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Aanleiding en verloop onderzoek 03Fazant In november 2017 is onderzoek 03Fazant gestart naar aanleiding van informatie uit onderzoek 03Diek en TCI-informatie. [verdachte] kwam in beeld als verdachte nadat een wijkagent ter ore kwam dat er in de eerste week van november 2017 een vermoedelijk rode container vol cobra’s zou worden geleverd bij een militaire bunker in Duitsland, nabij Bad Bentheim. Ene [naam 1] uit Hengelo zou hierachter zitten. Deze [naam 1] zou in 2016 ook zijn opgepakt voor vuurwerkhandel. De politie vermoedde dat de genoemde militaire bunker, het militaire bunkercomplex Muni Berka betrof. Op 2 november 2017 heeft de politie een bezoek gebracht aan Muni Berka en gesproken met de beheerder van het bunkercomplex, [naam beheerder] . Later die dag werd de politie gebeld door [naam beheerder] . Hij vertelde dat er zojuist een vrachtwagen met een rode container aan kwam rijden. De politie is direct ter plaatse gekomen. Bij de ingang zagen zij een vrachtwagen met een rode container. Zij hebben de vrachtwagen gecontroleerd. Hierin troffen zij 20 pallets (94 dozen) aan met professioneel vuurwerk afkomstig van de Poolse firma Triplex. Tijdens de controle zag de politie dat een zwarte Audi A6 aan kwam rijden. De Audi A6 had een Nederlands kenteken beginnend met ‘ [kenteken] -’. Kort voordat de Audi A6 ter hoogte van de ingang was, remde de auto, reed achteruit en vertrok met hoge snelheid. [naam beheerder] liet weten dat hij van de beveiliging had vernomen dat de Audi A6 van [verdachte] was en dat het kenteken [kenteken] betrof. Vervolgens is door de politie nader onderzoek verricht, wat heeft geresulteerd in deze zaak, waarin verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] door het Openbaar Ministerie ervan worden beschuldigd deel te hebben genomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de illegale handel in professioneel vuurwerk. Zij zouden professioneel vuurwerk hebben ingekocht in Polen, deze vervolgens hebben opgeslagen in Duitsland om vanuit daar het vuurwerk te verstrekken aan afnemers uit Nederland. [verdachte] wordt, samen met de inmiddels overleden [naam overledene 1] , gezien als de leidinggevende van de criminele organisatie. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als uitvoerders. Zij zouden hebben geholpen bij lossen van de vrachtwagens met illegaal vuurwerk en bij het afleveren daarvan aan de afnemers. [medeverdachte 3] wordt gezien als facilitator, omdat hij zorg zou hebben gedragen voor een opslaglocatie (Muni Berka) en de overige deelnemers aan de criminele organisatie daar toegang toe zou hebben verschaft. De rechtbank buigt zich over de vraag of bewezen kan worden dat sprake is geweest van een criminele organisatie en [verdachte] hieraan heeft deelgenomen. 4.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt dat het feit bewezen kan worden, omdat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, gericht op de illegale handel in professioneel vuurwerk ten behoeve van financieel gewin, waaraan alle verdachten hebben deelgenomen. Dit blijkt uit de manieren waarop het crimineel samenwerkingsverband (CSV) werkte en de frequentie waarmee en de momenten waarop de verdachten aanwezig zijn geweest in Muni Berka. De organisatie is er verantwoordelijk voor geweest dat grote hoeveelheden professioneel vuurwerk vanuit Polen zijn geïmporteerd naar Duitsland, waar dit vuurwerk in oude munitiebunkers in Muni Berka werd opgeslagen. Vanuit de bunkers in Muni Berka heeft het CSV het vuurwerk via drie modus operandi aan Nederlandse particulieren verkocht en ingevoerd in Nederland. Uit de bezoekersregistratie van Muni Berka blijkt dat op het moment dat de vrachtwagens uit Polen met het vuurwerk van Triplex arriveerden, er ook altijd één of meer leden van het CSV op het terrein van Muni Berka aanwezig waren. Ook kwamen leden van het CSV regelmatig gelijktijdig bij het bunkercomplex aan, soms zelfs in dezelfde auto. Op die momenten waren er vaak geen andere personen aanwezig op het bunkercomplex. Uit de bestelbonnen en facturen van Triplex blijkt dat er professioneel vuurwerk werd geleverd. Dit wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen. Ook kan bewezen worden dat [verdachte] heeft deelgenomen aan het CSV, als leidinggevende. [verdachte] had binnen de organisatie een zeer prominente rol. Hij regelde de inkoop, opslag en verkoop van het vuurwerk en was ook fysiek betrokken bij vrijwel alle aspecten van de organisatie, waaronder het ontvangen en lossen van de vrachtwagens in Muni Berka en de aflevering van het vuurwerk aan de kopers. 4.3 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Van een criminele organisatie is geen sprake, omdat de vaststelling van aanwezigheid op een bepaalde locatie op een bepaald moment, zelfs in een bepaalde samenstelling, nog niet maakt dat gesteld kan worden dat die personen een organisatie hebben gevormd. In het bijzonder nu daarbij ook niet meer dan dat kan worden vastgesteld. Verder bevat het dossier onvoldoende bewijs dat sprake was van professioneel vuurwerk, omdat er geen deskundigen zijn die het vuurwerk hebben onderzocht. Enkel de facturen en bestelbonnen zijn bekeken en dat is onvoldoende om vast te stellen dat sprake was van professioneel vuurwerk. Voor zover is gekeken naar de teksten op de dozen, geldt dat niet is vastgesteld dat de inhoud van de dozen daarmee overeenkomt. Er is niet in de dozen gekeken. Voor zover de rechtbank al bewezen vindt dat het professioneel vuurwerk betrof, kan de door het Openbaar Ministerie gestelde hoeveelheid van 368.902 kg niet worden bewezen, hooguit ‘enige hoeveelheid’. Ook is er onvoldoende bewijs dat het vuurwerk bij particulieren terecht is gekomen. Op basis van het dossier kan niets worden vastgesteld, alleen ingevuld. De getuigenverklaringen maken dat niet anders. Daarnaast kunnen de door het Openbaar Ministerie gebruikte getuigenverklaringen niet voor het bewijs worden gebruikt. De politieverklaring van [naam getuige 1] moet worden uitgesloten van het bewijs. Deze is onbetrouwbaar omdat [naam getuige 1] bij de rechter-commissaris terugkomt op zijn eerdere verklaring. In ieder geval kan deze verklaring niet bijdragen aan het bewijs, omdat hij niet verklaart over zijn eigen waarnemingen, maar over die van [naam overledene 1] . Ten aanzien van de verklaring van [naam getuige 2] is aangevoerd dat onduidelijk is of met ‘ [naam 1] ’ [verdachte] wordt bedoeld en dat [naam getuige 2] geen expert is in vuurwerk en het niet duidelijk is of hij in de dozen heeft gekeken. Ten aanzien van de verklaring van [naam broer] is aangevoerd dat op basis van deze verklaring niet kan worden uitgesloten dat het vuurwerk in Duitsland bleef. Ten aanzien van de verklaring van [naam getuige 3] is aangevoerd dat [naam getuige 3] juist heeft verklaard dat hij geen vuurwerk bij [verdachte] heeft gekocht. Tot slot kan ook niet worden vastgesteld dat [verdachte] een leidende rol binnen de organisatie heeft gehad, te meer nu uit het dossier eerder het beeld naar voren komt dat [naam overledene 1] een overwegend initiërende, leidende en aansturende rol had. De door de officier van justitie aangedragen argumenten passen eerder bij een uitvoerende rol dan een leidende rol. 4.4 Oordeel van de rechtbank 4.4.1 Toetsingskader criminele organisatie Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Het 'oogmerk' van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Van 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. In het bestanddeel ‘deelneming aan’ een organisatie als bedoeld in art. 140 lid 1 Sr ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor 'deelneming' voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. 4.4.2 Toetsingskader toegepast op de zaak 4.4.2.1 Feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de in bijlagen II en III opgenomen bewijsmiddelen. 4.4.2.2 Opmerking vooraf over de getuigenververklaringen De raadsman heeft aangevoerd dat een aantal van de getuigenverklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe als volgt. (Politie)verklaring [naam getuige 1] Op 4 maart 2020 is getuige [naam getuige 1] door de politie gehoord. Hierin heeft hij – samengevat – verklaard dat hij weleens met [naam overledene 1] naar Muni Berka is meegereden en daar hand- en spandiensten heeft verricht door het klaarmaken van vuurwerkbestellingen, van [naam overledene 1] de methode heeft gehoord hoe het met de bestellingen in zijn werk ging en dat hij [verdachte] en [medeverdachte 2] bij de bunker in Muni Berka heeft gezien. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 21 juli 2023 is [naam getuige 1] op sommige onderdelen van zijn eerdere verklaring teruggekomen. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris geeft hij – samengevat – aan dat hij met [naam overledene 1] meereed naar bunker en daar ging hardlopen in het bos, dat hij niet in de bunker is geweest en niemand heeft gezien. De rechtbank heeft echter geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de politieverklaring van [naam getuige 1] . Het dossier bevat aanwijzingen dat [naam getuige 1] bang is voor de organisatie. Zo wordt in het proces-verbaal van bevindingen met nummer 1265 door de verbalisant opgemerkt dat de getuige op 4 maart 2020 is gehoord, maar bij de ondertekening van zijn verklaring op 17 maart 2020 een aantal zaken aangepast wilde hebben, dat de getuige voorzichter was geworden en tijdens het gesprek aangaf dat hij niet bang was voor [verdachte] , maar wel voor de groep eromheen. In het licht hiervan, alsook gezien het tijdsverloop, vindt de rechtbank het verklaarbaar dat [naam getuige 1] bij de rechter-commissaris deels terug wilde komen op zijn eerder afgelegde verklaring bij de politie. Dit is echter geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die eerdere politieverklaring uit 2020. De andere bewijsmiddelen in het dossier geven immers voldoende steun aan de politieverklaring van [naam getuige 1] . Dat [naam getuige 1] van een derde ( [naam overledene 1] ) over een modus operandi heeft gehoord is evenmin een reden om zijn politieverklaring niet voor het bewijs te gebruiken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (het de-auditu-arrest), mogen verklaringen van personen die mededelingen van derden weergeven als bewijsmiddel worden gebruikt, te meer nu dit dossier ook andere ondersteunende bewijsmiddelen bevat. Kortom, de rechtbank ziet geen reden om tot bewijsuitsluiting van de politieverklaring van [naam getuige 1] over te gaan. Verklaringen [naam getuige 2] , [naam broer] en [naam getuige 3] Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van getuigen [naam getuige 2] en [naam broer] wel degelijk redengevend zijn voor het bewijs. Hun verklaringen staan niet op zichzelf, maar moeten in onderling verband en in samenhang met de rest van het dossier worden bezien. Aan de verklaring van [naam getuige 3] dat hij geen vuurwerk bij [verdachte] heeft gekocht hecht de rechtbank geen geloof, nu deze op zichzelf staat en op wezenlijke punten wordt weersproken door de bewijsmiddelen in het dossier. 4.4.2.3 Bewijsmotivering Inkoop en opslag van vuurwerk Uit de CMR-vrachtbrieven en facturen van Triplex blijkt dat professioneel vuurwerk van de Poolse onderneming Triplex bij het bunkercomplex Muni Berka in Duitsland werd bezorgd en dat Starlight Firerocks, Fire-Line Fireworks, Fireworks Crazy Limited of [naam 2] op die stukken als geadresseerde (ontvanger) stond vermeld. Uit het dossier blijkt ook dat bij de ingang van Muni Berka de personalia van bezoekers aan de hand van een identiteitsbewijs en het kenteken van het voertuig waarmee zij aankomen wordt genoteerd. Verder wordt ook genoteerd voor welk bedrijf en die huurder van een bunker bij Muni Berka de bezoekers komen. Dat de bezoekersregistratie van Muni Berka correct is, volgt uit de verklaring van beheerder [naam beheerder] . Hij heeft verklaard dat iedereen zich moest legitimeren als ze Muni Berka willen betreden en dat bezoekers vanaf 2017 alleen met een geregistreerde weknemer van de huurder van een bunker het terrein mochten betreden. Eén van de bedrijven die bunkers huurde bij Muni Berka betreft Euregio Feuerwerk (hierna: Euregio). [naam partner] (eigenaresse van Euregio), [medeverdachte 3] (partner van [naam partner] ) en [naam broer] (broer van [medeverdachte 3] ) waren voor het personeel van Muni Berka de contactpersonen van Euregio. Uit de bezoekersregistratie van Muni Berka blijkt dat de chauffeurs van de vrachtwagens met vuurwerk van Triplex zich lieten registreren als bezoeker van Euregio, niet als bezoeker van één van de vier bedrijven – Starlight Firerocks, Fire-Line Fireworks, Fireworks Crazy Limited of [naam 2] – die als geadresseerde op de CMR-vrachtbrieven stonden vermeld. Uit de CMR-vrachtbrieven blijkt ook dat er daarbij professioneel vuurwerk werd geleverd. Dit terwijl [naam partner] heeft verklaard dat Euregio geen professioneel vuurwerk bij Triplex bestelde. Verder volgt uit de bezoekersregistratie dat op het moment dat de vrachtwagens met vuurwerk bij Muni Berka aankwamen, meerdere betrokken verdachten – [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [naam broer] en/of [naam overledene 1] – aanwezig waren op het terrein. Door meerdere vrachtwagenchauffeurs is verklaard dat de vrachtwagen werd uitgeladen door de personen die de vrachtwagen eerder bij de ingang opwachtten en dat één van die personen ook de transportdocumenten voor ontvangst van de lading tekende/ stempelde. De vier bedrijven die als geadresseerden op de CMR-vrachtbrieven stonden vermeld kwamen niet voor in het bezoekersregister van Muni Berka. Uit verklaringen van de vertegenwoordigers van de bedrijven Fireworks Crazy Limited en [naam 2] blijkt ook dat zij niets afwisten van vuurwerkleveringen bij Muni Berka. Tot slot blijkt uit de verklaring van [naam broer] dat het vuurwerk van Triplex dat in de bunker van Muni Berka werd opgeslagen, later ook weer weg was uit de bunker. Verkoop van vuurwerk Uit de stukken blijkt dat het professionele vuurwerk uit de bunker in Muni Berka in ieder geval via twee modus operandi (MO) door de verdachten – [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [naam broer] en/of [naam overledene 1] – aan Nederlandse particulieren werd verkocht en Nederland werd binnen gebracht, zoals hierna wordt beschreven. MO 1 – Levering aan klanten buiten Muni Berka Met de eerste modus operandi werd voor de levering van het vuurwerk door verdachten afgesproken met klanten, Nederlandse particulieren, (bij winkelcentra) in het nabijgelegen Bad Bentheim. Dit volgt uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] , die meermalen als bezoeker van Euregio bij Muni Berka werd geregistreerd, samen met [naam overledene 1] . Hij heeft het volgende verklaard: ‘ heeft mij wel een keer de methode verteld hoe het met de bestellingen in zijn werk ging: Degenen die vuurwerk wilde hebben moesten naar een winkelcentrum in Duitsland rijden. Hier werden de auto's overgenomen door personen die naar de bunker reden. De bestelling werd hier ingeladen en daarna werden de auto's weer terug naar het winkelcentrum gereden’. Uit de bezoekersregistratie van Muni Berka blijkt ook dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en/of [naam overledene 1] het bunkercomplex regelmatig meerdere keren per dag bezochten met ‘vreemde’ voertuigen; voertuigen met Nederlandse kentekens die op naam stonden van auto(verhuur)bedrijven of (onbekende) particulieren. Als de bezoekersregistratie wordt gelegd langs de gegevens van het peilbaken op de Mercedes Sprinter ( [kenteken] ) van [verdachte] , blijkt dat deze bezoeken werden voorafgegaan en gevolgd door ritjes met de Mercedes Sprinter naar (winkelcentra
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.