← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:1678

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/1481 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2024 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg), en de burgemeester van Amsterdam, verweerder (gemachtigden: mr. M.I. Houben en [gemachtigde]). Inleiding 1.

  1. Met het besluit van 4 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de woning aan de [adres] [huisnummer] in Amsterdam (hierna: de woning), met ingang van 6 maart 2024 voor de duur van drie maanden gesloten. 1.
  2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de sluiting van de woning te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar dan wel het bestreden besluit te vernietigen, zodat de woning wordt geopend. 1.
  3. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.
  4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder. Totstandkoming van het besluit
  5. Verzoeker is huurder en bewoner van de woning. Op woensdag 17 januari 2024 werd een onderzoek ingesteld in de woning naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem melding over handel in verdovende middelen vanuit de woning door verzoeker. Ook stond in de melding dat er regelmatig mensen kort op bezoek komen om drugs te kopen. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 20 januari 2024 blijkt dat het volgende is aangetroffen in de woning: 29,9 gram heroïne, 83,7 gram cocaïne, 28,65 gram vermoedelijk cocaïne, 1,74 gram hennep, 75,05 gram hennep, 4,44 gram hasj, 0,71 gram hasj, 2 weegschalen, gripzakjes met verschillende opdrukken en 3 fatbikes die van diefstal afkomstig zijn. Het Laboratorium Forensische Opsporing van de politie heeft op 18 januari 2024 voorlopig vastgesteld dat het gaat om 29,9 gram heroïne en 83,7 gram cocaïne, zijnde harddrugs. Verder heeft de politie ambtshalve vastgesteld dat er in totaal 76,79 gram hennep en 5,15 gram hasj, te weten softdrugs, zijn aangetroffen. Daarnaast heeft de politie in de woning goederen aangetroffen waarvan wordt vermoed dat deze van diefstal afkomstig zijn of zijn verkregen met de opbrengsten uit de handel in verdovende middelen Naar aanleiding van voornoemde constateringen heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels de woning gesloten voor de duur van drie maanden. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.
  6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3.
  7. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het belang dat wordt gediend door de onmiddellijke uitvoering van het besluit. 3.
  8. Het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet is weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 (hierna: de overzichtsuitspraak), nader aangevuld in de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  9. 3.
  10. Als algemeen uitgangspunt geldt dat er geen reden bestaat een voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter het besluit tot sluiting van de woning rechtmatig acht. Bevoegdheid 4.
  11. Verweerder is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5,0 gram softdrugs, of vijf (hennep)planten (het criterium van het openbaar ministerie voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de Beleidsregels volgt dat in het geval van hennepproducten van een handelshoeveelheid wordt gesproken bij een hoeveelheid van 30 gram of meer en in het geval van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of 5 pillen. 4.
  12. Gelet op de in de woning van verzoeker aangetroffen hoeveelheid harddrugs kan gesproken worden van een handelshoeveelheid in de zin van de Beleidsregels. Het is dan aan verzoeker om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Indien dat niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker daar niet in is geslaagd. Verzoeker heeft desgevraagd op de zitting verklaard dat hij samen met vrienden drugs in grote hoeveelheden inkoopt, omdat dit goedkoper is. Verzoeker zijn vrienden geven hem hier geld voor. Ze gebruiken de drugs samen bij hem thuis. Vervolgens bewaart hij de drugs voor zijn vrienden, omdat zij de drugs niet mee naar huis kunnen nemen vanwege hun gezin. De weegschaal is bedoeld om de drugs af te wegen zodat verzoeker kan controleren of hij de juiste hoeveelheid heeft gekregen van de dealer en om de drugs af te wegen voor zijn vrienden. Deze verklaring is niet geconcretiseerd en evenmin onderbouwd, zodat deze onvoldoende is om niet uit te gaan van handel. Overigens heeft verweerder op de zitting terecht gesteld dat indien wordt uitgegaan van de verklaring van verzoeker, daarmee mogelijk ook sprake is van een vorm van handel. In ieder geval gaat dit verder dan enkel ‘eigen gebruik’. Verzoeker heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs niet voor de handel was, zodat verweerder bevoegd was om de woning te sluiten. Noodzaak 5.
  13. Als verweerder bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een woning te sluiten. Daarbij is van belang of verweerder met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding wordt beoordeeld of sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. De aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning is een ernstig geval. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal. 5.
  14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit geval heeft kunnen menen dat de noodzaak bestond om de woning te sluiten. Er is namelijk een hoeveelheid hard- en softdrugs aangetroffen die de gebruikershoeveelheid aanzienlijk overschrijdt. Daarbij komt dat er sprake is van verschillende in de Beleidsregels beschreven verzwarende omstandigheden. Bij een dergelijke hoeveelheid drugs moet rekening worden gehouden met een verhoogd risico op criminele activiteiten in, en in de omgeving van de woning. Er zijn handelsindicaties, zoals loop naar de woning, melding over drugshandel vanuit de woning en de aanwezigheid van weegschalen en gripzakjes. Verder zijn er goederen aangetroffen waarvan het vermoeden bestaat dat ze van diefstal afkomstig zijn of verkregen met de opbrengsten van de handel in drugs. Ook is er risico op herhaling, gelet op de druggerelateerde politieregistraties van verzoeker. Bovendien ligt de woning in een kwetsbare wijk met de nodige (drugs)problematiek. 5.
  15. Verzoeker heeft nog aangevoerd dat hij nooit voor overlast heeft gezorgd. Daartoe heeft verzoeker een verklaring van een buurman overgelegd die verklaart dat hij geen overlast heeft ervaren van verzoeker en hem een prettige buurman vindt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze positieve geluiden over verzoeker voor verweerder geen aanleiding hebben hoeven zijn om van de woningsluiting af te zien. Daarnaast heeft verzoeker op zitting aangevoerd dat de persoon die op 17 januari 2024 is aangehouden ontkend heeft dat hij drugs heeft gekocht bij verzoeker. Deze omstandigheden doen echter onvoldoende af aan hetgeen hiervoor is overwogen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de woningsluiting door de aangetroffen hoeveelheden hard- en softdrugs in combinatie met de verzwarende omstandigheden noodzakelijk is voor direct en blijvend herstel van de openbare orde. Omdat het om een ernstige verstoring van de openbare orde gaat kon verweerder hiertoe overgaan ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Evenwichtig 6.
  16. Als verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is, zoals in dit geval, komt de vraag aan de orde of de sluiting ook evenwichtig is. Er moet evenwicht zijn tussen de bescherming van het algemeen belang, in dit geval de bescherming of het herstel van de openbare orde en de woon- en leefomgeving, en de te respecteren grondrechten van verzoeker. Of de sluiting evenwichtig is, hangt af van verschillende omstandigheden. De duur van de sluiting moet evenwichtig zijn, ook als verweerder daarin zijn eigen beleid heeft gevolgd. Of de sluiting evenwichtig is hangt ook af van de (mate van) verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, of er een bijzondere binding met de woning is en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de omstandigheden die maken dat verweerder een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. 6.
  17. Verzoeker heeft aangevoerd dat het sluiten van de woning niet evenredig is, omdat hij vreest dat de kantonrechter op verzoek van de verhuurder de huurovereenkomst zal ontbinden. Verzoeker komt dan op de zwarte lijst en zal het voor hem onmogelijk worden een andere woning te bemachtigen. Daarnaast heeft verzoeker een mail van een reclasseringswerker overgelegd waarin staat dat het van belang is dat hij zijn woning behoudt om de voorwaarden goed te kunnen uitvoeren. 6.
  18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning en de duur daarvan niet onevenwichtig zijn. Het is allereerst inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is ook in dit geval niet gebleken dat verzoeker geen vervangende verblijfplaats heeft of zou kunnen regelen. Op de zitting heeft verzoeker hierover verklaard dat hij bij het Leger des Heils overnacht en bij vrienden. Tot slot heeft verzoeker niet onderbouwd dat hij inderdaad op een zwarte lijst van woningcorporaties staat en dat hij daardoor geen andere woning zou kunnen huren. De voorzieningenrechter ziet in voorgaande geen reden om van een onevenwichtig besluit te spreken. Conclusie en gevolgen
  19. De slotsom is dat verweerder gelet op al het voorgaande in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woningsluiting op dit moment niet wordt opgeschort. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart
  20. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam), geldend van 01-02-2023 t/m heden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  21. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  22. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  23. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910 en ECLI:NL:RVS:2022:
  24. Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  25. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  26. Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  27. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.