RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-002817-24 Datum uitspraak: 28 maart 2024 UITSPRAAK op de vordering van 10 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 mei 2023 door the Prosecutor’s Office attached to the Court of Tempio Pausania (Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1974, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 29 februari 2024 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 februari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Roemeense taal. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard niet langer bijgestaan te willen worden door mr. A.M.C.J. Baaijens, en heeft hij verklaard dat hij vertegenwoordigd wil worden door mr. M.E. Broekert, advocaat te Breda. De behandeling van de zaak is aangehouden om de opgeëiste persoon de kans te geven om de advocaat van zijn voorkeur zich te laten stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Zitting 19 maart 2024 De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 19 maart 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, advocaat te Breda en door een tolk in de Roemeense taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt twee vonnissen: vonnis 1): een judgment delivered by the Ordinary Court of Tempio Pausania op 6 november 2018 (which became final on 15 april 2019), met kenmerk 1015/2018, en vonnis 2): een judgment delivered by the Ordinary Court of Tempio Pausania op 15 juli 2020 (which became final on 28 november 2020), met kenmerk 194/2020. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraffen voor de duur van: 1 jaar, 1 maand en 10 dagen (vonnis 1). Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 1 maand en 3 dagen; 6 jaar en 11 maanden (vonnis 2). Deze straf moet nog in zijn geheel worden uitgezeten. Deze straffen dienen door de opgeëiste persoon te worden ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de officier van justitie bij de rechtbank in Tempio Pausania een Besluit met referentie nr. 14/2021 SIEP tot samenvoeging van de twee genoemde vrijheidsstraffen heeft genomen (hierna: het samenvoegingsbesluit) tot een totaalduur van 8 jaar en drie dagen. Dit besluit is geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis in de zin van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW. De rechtbank verstaat het EAB zo, dat de overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen die bij de vonnissen 1) en 2) zijn opgelegd. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Samenvoegingsbesluit of the Public Prosecutor’s Office at the Court of Tempio Pausania (met kenmerk SIEP 14/2021) De rechtbank is – samen met de officier van justitie – van oordeel dat het samenvoegingsbesluit niet aan artikel 12 OLW getoetst dient te worden omdat er sprake is geweest van een optelling van de opgelegde straffen zonder dat sprake was van een beoordelingsmarge. Dit besluit valt hierom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Vonnis 1 van the Ordinary Court of Tempio Pausania (met kenmerk 1015/2018 ) Standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van het eerste vonnis de overlevering geweigerd dient te worden omdat uit de aanvullende informatie van de Italiaanse autoriteiten niet blijkt dat hij door een gemachtigd advocaat is vertegenwoordigd. De zaak is zeven jaar na het aflopen van de voorlopige hechtenis afgedaan. Dan is de vraag of er na zeven jaar nog gesproken kan worden van een gemachtigd advocaat. Hij zat in voorlopige hechtenis voor deze zaak en er wordt in de aanvullende informatie nog iets opgemerkt over huisarrest, maar nergens wordt genoemd dat hij geïnstrueerd is over wat daarbij kwam kijken – er ontbreekt bijvoorbeeld informatie over een adresinstructie. Bovendien is hij niet nalatig geweest ten aanzien van het instellen van hoger beroep, want hij was zich überhaupt niet bewust van de procedure. Dit maakt dan ook dat er geen sprake is van één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden Er is ook geen reden af te zien van weigeren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van het eerste vonnis de overlevering toegestaan kan worden. Volgens het EAB is de opgeëiste persoon op de eerste zitting aanwezig geweest. Hierna zou sprake zijn geweest van huisarrest waaraan de opgeëiste persoon zich onwettig heeft onttrokken. In de aanvullende informatie van 15 februari 2024 staat de volgende zin opgenomen: “I confirm that during the proceedings concluded by judgment no. 1015/2018 of 6 11 2018 issued by the Court of Tempio Pausania, the convicted person was defended and represented at trial by his defence counsel of choice he himself appointed.” Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon een gemachtigd advocaat had die hem gedurende het proces heeft vertegenwoordigd. Er is hier sprake van de in artikel 12, sub b, genoemde omstandigheid. De weigeringsgrond in artikel 12 OLW doet zich ten aanzien van dit vonnis dan ook niet voor. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Anders dan de officier van justitie leidt de rechtbank uit de aanvullende informatie niet af dat de opgeëiste persoon de door hem aangewezen raadsman ook gemachtigd heeft om hem in zijn afwezigheid te verdedigen. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon kennis had van de procedure. Hij heeft immers in oktober 2011 in voorarrest gezeten, heeft volgens de aanvullende informatie zelf een advocaat aanwezen en heeft volgens het EAB de eerste zittingsdag in die periode – met zijn advocaat – bijgewoond. Vervolgens heeft hij zich hierna onttrokken aan het aan hem opgelegde huisarrest. Volgens het EAB was hij vanaf 24 januari 2013 “unlawfully at large”. Dit maakt dat het aan hem zelf te wijten is dat hij latere zittingsdagen niet heeft bijgewoond. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon – die op de hoogte was van de procedure – uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot het zoeken van nader contact met de door hem gekozen advocaat en het opvragen van informatie over het verdere verloop van de procedure. Overlevering levert dus geen schending van zijn verdedigingsrechten op. Vonnis 2 van the Ordinary Court of Tempio Pausania (met kenmerk 194/2020 ) Standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van het tweede vonnis de overlevering geweigerd dient te worden omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte is geweest van deze procedure. Er is een advocaat aan hem toegewezen, maar daar heeft hij nooit contact mee gehad. De Italiaanse autoriteiten verklaren weliswaar dat zij vermoeden dat de opgeëiste persoon kennis had van de tegen hem lopende procedure vanwege het feit dat hij voortvluchtig was, maar uit niks blijkt dat hij die kennis daadwerkelijk had. Dit maakt dan ook dat er geen sprake is van één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden. Dan moet er sprake zijn van een onvoorwaardelijke verzetgarantie. In eerdere verzetgaranties met betrekking tot Italiaanse EAB’s is duidelijk gemaakt dat de opgeëiste persoon moet bewijzen dat die zich niet opzettelijk onvindbaar heeft gemaakt om van de mogelijkheid tot verzet gebruik te kunnen maken. De rechtbank heeft eerder bevonden dat deze verzetgaranties niet onvoorwaardelijk zijn, onder andere in een uitspraak van 5 juli 2018. Omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure die tot vonnis 2 heeft geleid en er geen onvoorwaardelijke verzetgarantie is afgegeven, dient de overlevering te worden geweigerd. Er is ook geen reden af te zien van weigeren. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het uitblijven van een onvoorwaardelijke verzetgarantie moet leiden tot weigering van de overlevering voor vonnis 2. Het is bekend dat de opgeëiste persoon eerst moet bewijzen dat die zich niet opzettelijk onvindbaar heeft gemaakt, waardoor de garantie niet onvoorwaardelijk is. Er is aan de Italiaanse autoriteiten gevraagd of zij de verzetgarantie onvoorwaardelijk aan kunnen bieden en antwoord hierop is uitgebleven. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.