RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/010348-24 (VV-EAB) Datum uitspraak: 14 maart 2024 UITSPRAAK op de vordering van 11 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juli 2014 door the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 februari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.C.P. Lefevere, advocaat in Helmond, en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een judicial decision of the Regional Court in Glogów van 24 februari 2014 met referentie 1 Ds. 488/13. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Verjaring naar Pools recht Met de raadsman stelt de rechtbank het volgende vast. Blijkens onderdeel
- f)van het EAB is het recht op vervolging verjaard in april 2021: “Time limitation of the amenability to the penalty for the offence in case file No. 1 Ds. 488/13 in respect of [opgeëiste persoon] ceases in April 2021.” Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond. Het toesturen van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit impliceert dat deze autoriteit bij haar beoordeling of de overlevering nog steeds gewenst is ook de verjaring naar het recht van haar lidstaat heeft beoordeeld. Niettemin moet overlevering achterwege blijven, indien na de uitvaardiging van het EAB de aan dat EAB ten grondslag liggende nationale rechterlijke beslissing niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is vanwege verjaring. In een dergelijk geval voldoet het EAB immers niet aan de in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW bedoelde eis. Nu de beslistermijn in de onderhavige zaak nog niet is verstreken, zou de rechtbank bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na kunnen gaan of de vervolgingsverjaring na de uitvaardiging van het EAB maar vóór april 2021 is gestuit. De rechtbank kiest er echter voor dit niet te doen, gelet op hetgeen hierna onder 5 is overwogen. 5Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat hieraan niet is voldaan. De feiten waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht (telkens: het niet betalen van kinderalimentatie) zijn niet strafbaar naar Nederlands recht, nu uit het EAB niet volgt dat de betreffende kinderen door het niet betalen van de alimentatie in een hulpbehoevende situatie terecht zijn gekomen. De weigeringsgrond van artikel 7 OLW is daarmee van toepassing. De rechtbank heeft in eerdere gevallen aanleiding gezien om van weigering af te zien wanneer het EAB is uitgevaardigd ter zake het niet betalen van kinderalimentatie. In de onderhavige zaak ziet de rechtbank echter geen aanleiding om af te zien van weigering. In de onderhavige zaak ontbreekt niet alleen de dubbele strafbaarheid en is er blijkens het EAB sprake van verjaring naar Pools recht, maar speelt ook dat de opgeëiste persoon in een andere zaak (met parketnummer 13/010309-24) gelijkgesteld is met een Nederlander. Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van de straf waarvoor zijn overlegging in die andere zaak wordt gevraagd door Nederland wordt overgenomen. Daarnaast weegt de rechtbank ook mee dat het zeer oude feiten betreft. In een vergelijkbare zaak heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Aanhouding van de onderhavige procedure in afwachting van de beslissing van het Hof van Justitie acht de rechtbank niet in het belang van de opgeëiste persoon. Hoewel er volgens de officier van justitie gronden zijn om af te zien van weigering van de overlevering, zal de rechtbank daartoe niet overgaan, omdat zij de aanhangige prejudiciële procedure niet wil doorkruisen. Het in de prejudiciële vragen gesignaleerde probleem doet zich dan niet voor. Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank de officier van justitie niet in haar verzoek de behandeling aan te houden in afwachting van het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen. 6Slotsom Gelet op het bovenstaande weigert de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon. 7Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel
- e)van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. M. Wiewel en M. Westerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 maart 2024. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel
- e)van het EAB. Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:7307. Vergelijk: rechtbank Amsterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:668. ECLI:NL:RBAMS:2023:6739.