RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-025164-24 Datum uitspraak: 2 april 2024 UITSPRAAK op de vordering van 1 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 augustus 2023 door een rechter van het Amtsgericht Düsseldorf in Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op 27 november 2004, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , ( [jeugdinrichting] ), thans aldaar uit andere hoofde gedetineerd, hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 maart 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.A. Donkers, advocaat te Roermond. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
- Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het Amtsgericht Düsseldorf van 25 juli 2023, met dossiernummer 139 Gs 153/
- De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten: Georganiseerde of gewapende diefstal Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De leidinggevende hoofdofficier van justitie van het parket in Düsseldorf heeft op 19 februari 2024 de volgende garantie gegeven: “met referte aan uw e-mail d.d. 19 februari 2024 wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in het geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland, op basis van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ […] inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie […] voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf weer naar Nederland zal worden overgebracht.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de rechtbank de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Een aantal van de medeverdachten zullen vermoedelijk in Nederland worden vervolgd voor dezelfde feiten, en er dient te worden onderzocht of de vervolging eventueel in Nederland kan plaats vinden. De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond. Een dergelijk verzoek tot overname van de vervolging moet uit Duitsland komen en dat is er niet. De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. De gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. In het licht van hetgeen de officier van justitie genoemd heeft vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. 7Evenredigheid Het standpunt van de raadsman De raadsman stelt zich op het standpunt dat overlevering van de opgeëiste persoon onevenredig zou zijn. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon zit momenteel een straf uit van 15 maanden jeugddetentie die hem is opgelegd door de rechtbank Limburg op 9 mei
- Het hoger beroep loopt nog in deze zaak. Omdat de opgeëiste persoon minderjarig was ten tijde van het plegen van dit feit zijn er veel instanties betrokken bij zijn resocialisatie. Hij zit nu in detentie op een PIJ-afdeling, terwijl hij geen PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen, en volgt daar verschillende trainingen. Als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd aan Duitsland staat hem echter een ongewis traject te wachten. Het zou zijn ontwikkeling schaden gezien zijn leeftijd. Primair dient de overlevering hierom geweigerd te worden. Subsidiair dient onderzocht te worden of er minder ingrijpende alternatieven zijn dan overlevering, bijvoorbeeld via een EOB. De opgeëiste persoon is al uitgebreid gehoord over zijn aandeel in de strafbare feiten door Duitse opsporingsambtenaren: dat verhoor vond op 24 februari jl. plaats in [jeugdinrichting] . Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat overlevering niet onevenredig is, ondanks de leeftijd van de opgeëiste persoon. Het oordeel van de rechtbank Stelselevenredigheid Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. Het besluit van de Duitse rechter om in deze zaak op 15 augustus 2023 een EAB uit te vaardigen gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dit niet anders. Evenredigheid in een concreet geval De tenuitvoerlegging van het EAB kan daarnaast onder uitzonderlijke omstandigheden onevenredig worden geacht ten opzichte van de opgeëiste persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar in onderhavige zaak geen sprake van is. Het verweer van de raadsman dat overlevering een negatief effect zou hebben op de ontwikkeling van de opgeëiste persoon, gezien zijn leeftijd, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste rechtspraak dat een beroep op onevenredigheid van een EAB slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. 8Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 9Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6, 7 Overleveringswet. 10Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht (Kantongerecht) Düsseldorf (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Mourik, voorzitter, mrs. P. Sloot en B.M. Vroom-Cramer, rechters, in tegenwoordigheid van L.E. Poel en A. Gabriëlse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.