RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/017044-24 Datum uitspraak: 27 maart 2024 UITSPRAAK op de vordering van 30 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 januari 2024 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 maart 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd op 12 januari 2024 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB niet genoegzaam is. Er is sprake van één strafbaar feit, terwijl er twee lijstfeiten zijn aangekruist. Gelet op de feitsomschrijving en de rol die aan de opgeëiste persoon wordt toebedeeld is het niet duidelijk voor welk feit zijn overlevering wordt gevraagd. Uit de feitsomschrijving blijkt niet op welke wijze de opgeëiste persoon is betrokken bij het feit. Hierover moeten nadere vragen worden gesteld. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en dat het voldoende duidelijk is voor de opgeëiste persoon waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - met de omschrijving in het EAB, voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk betrokkenheid bij cannabisteelt in georganiseerd verband in Stade (België) in de periode van 23 augustus 2021 tot 12 januari 2024. Daarbij is de opgeëiste persoon als ‘dader’ aangemerkt. Ten aanzien van hetgeen de raadsman verder naar voren heeft gebracht, merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van verdenking niet hoeft te vermelden. Het is namelijk niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nadere vragen te stellen. 4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten: 1) deelneming aan een criminele organisatie; 5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De procureur des Konings te Brugge heeft op 6 februari 2024 de volgende garantie gegeven: Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europese aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon]. Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ). Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aan de hand van stukken aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd met het oog op de medische omstandigheden van de opgeëiste persoon, in combinatie met de detentieomstandigheden in de Belgische gevangenissen. De opgeëiste persoon kampt met medische problemen waarvoor hij nog veel onderzoeken zal moeten ondergaan voordat een diagnose kan worden gesteld. Het ondergaan van detentie in België, terwijl onduidelijk is welke medische behandeling hij moet krijgen, kwalificeert als een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Van de Belgische raadsman heeft de opgeëiste persoon begrepen dat alleen de gevangenis in Brugge voldoende is toegerust voor complexe(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.