← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:2356

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.033.049-24 Datum uitspraak: 10 april 2024 TUSSENUITSPRAAK op de vordering van 31 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 31 mei 2021 door de Sąd Okręgowy w Ostrolęce II Wydzial Karny (Ostrolęka Regional Court, II Criminal Division), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 maart 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, advocaat te Amsterdam, die waarnam voor haar kantoorgenoot mr. T.H.L. Kneepkens, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst tot 27 maart 2024, omdat de raadsvrouw op korte termijn wegens ziekte van mr. Kneepkens voor hem moest waarnemen en daarom geen tijd meer had om het overleveringsverzoek met mr. Kneepkens en de opgeëiste persoon te bespreken. De rechtbank was daarom van oordeel dat mr. Eijsbouts de tijd moest krijgen om de verdediging te kunnen voorbereiden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding (onder gelijktijdige schorsing) van de opgeëiste persoon bevolen. Op de zitting van 27 maart 2024 heeft de rechtbank, met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon, het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 13 maart

  1. De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsvrouw mr. S.T.M. Eijsbouts, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt a judgement in force by the District Court in Ostrów Mazowiecka dated 25 June 2014 (II K 2/13); a judgement in force by the District Court in Ostrów Mazowiecka dated 23 June 2014 (II K 625/13). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van één jaar en zes maanden (in vonnis
  2. met zaaknummer II K 2/13) en twee jaren (in vonnis
  3. met zaaknummer II K 625/13), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Beide straffen moeten door de opgeëiste persoon nog in hun geheel worden uitgezeten. Door de opgeëiste persoon is aangevoerd dat beide vrijheidsstraffen voorwaardelijk waren opgelegd en vanwege het niet voldoen aan een betalingsverplichting zijn omgezet in onvoorwaardelijke straffen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dit echter niet uit het EAB. De rechtbank beschikt op dit moment niet over concrete informatie om aan de gegevens in het EAB te twijfelen. Voormelde vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid. Uit het EAB in rubriek D) blijkt echter dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de processen die tot de beslissingen hebben geleid en dat zij er in beide zaken van in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer zij niet op het proces zou verschijnen. Gelet daarop is ten aanzien van beide vonnissen sprake van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, OLW en mag de overlevering niet op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. 5Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten: oplichting. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6Heropening van het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing 6.1 Inleiding Ter zitting heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon nogmaals om aanhouding van de behandeling van het overleveringsverzoek gevraagd. De opgeëiste persoon heeft met behulp van haar Poolse advocaat namelijk een aantal verzoeken bij de rechtbank ingediend waarop, naar haar Poolse advocaat verwacht, binnen een tijdsbestek van zes tot acht weken zal worden gereageerd. De verzoeken zien onder meer op het wijzen van een verzamelvonnis naast het verzoek haar alsnog de gelegenheid te geven te voldoen aan de betalingsverplichtingen jegens de partij(en) die door de strafbare feiten benadeeld zijn. Er bestaat een mogelijkheid dat de verzoeken worden ingewilligd en dus is sprake van een situatie waarin uitstel tot afstel (te weten: intrekking van het EAB) kan leiden, aldus de raadsvrouw. Ter onderbouwing van haar aanhoudingsverzoek heeft de opgeëiste persoon voorafgaand aan de zitting een aantal stukken overgelegd. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de raadsvrouw op 4 april 2024 per e-mail meegedeeld dat zij belangrijke informatie uit Polen heeft ontvangen. Op 27 maart 2024 is namelijk een reactie van de Poolse rechtbank op het verzoek ontvangen, waarin de rechtbank vonnissen heeft bijgevoegd waarin de bedragen worden gespecificeerd en waarin is gespecificeerd aan welke slachtoffers de opgeëiste persoon de toegekende bedragen had moeten betalen. De (Poolse) rechtbank heeft ook aangegeven dat de opgeëiste persoon persoonlijk de benadeelde partijen moet vragen om hun rekeningnummer, zodat zij de toegewezen bedragen kan betalen. Haar advocaat in Polen heeft op 29 maart jongstleden aangegeven dat er daadwerkelijk slechts één benadeelde partij is en de benadeelde partij is verzocht om zijn bankrekeningnummer te verstrekken zodat de bedragen kunnen worden betaald. Indien het rekeningnummer wordt opgegeven, kan de opgeëiste persoon de bedragen betalen waardoor de procedure tot het intrekken van het EAB verder kan worden voortgezet. De raadsvrouw heeft bij haar e-mail een aantal bijlagen verstrekt in de Poolse taal en meegedeeld dat deze stukken intussen bij een vertaalbureau liggen om in het Nederlands te worden vertaald. Zodra de vertalingen arriveren zullen deze meteen aan de rechtbank worden verstrekt. Op grond van die nieuwe ontwikkelingen verzoekt de raadsvrouw om het onderzoek ter zitting te heropenen, nu er een mogelijkheid bestaat dat het verzoek tot intrekking van het EAB mogelijk wordt ingewilligd en dit, op grond van de nieuwe informatie, voldoende concreet is geworden. 6.2 Oordeel van de rechtbank De rechtbank zal het onderzoek ter zitting heropenen om de opgeëiste persoon in de gelegenheid stellen de in het Nederlands vertaalde versie van de stukken ter onderbouwing van haar standpunt in te brengen. Gelet op de beslistermijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW moet beslissen, welke termijn op 26 april 2024 verloopt, zal de rechtbank het onderzoek ter zitting na heropening schorsen voor bepaalde tijd tot de zitting van 23 april 2024 om 11.00 uur. De rechtbank verzoekt de raadsvrouw om zodra zij de Nederlandse vertaling ontvangt van de stukken die zij als bijlage bij haar e-mail van 4 april 2024 heeft gevoegd, deze per omgaande aan de rechtbank en de officier van justitie te verstrekken. 7Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor bepaalde tijd tot 23 april 2024 om 11.00 uur; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en haar raadsvrouw tegen voornoemde datum en tijdstip; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. A.W.T. Klappe en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens en A. Gabriëlse, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 april
  4. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.