RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-056412-24 Datum uitspraak: 23 april 2024 UITSPRAAK op de vordering van 19 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 januari 2024 door the Regional Court (Sąd Okręgowy) in Radom, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1966, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Radom van 27 juli 2015 (ref. II K 147/14). Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 8 maart 2024 blijkt dat deze zaak in hoger beroep is beoordeeld, wat heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Lublin van 28 april 2016 (ref. II AKa 71/16), waarin voornoemd vonnis is bevestigd. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 8 maart 2024 is opgenomen dat de zaak in hoger beroep bij beslissing van het Court of Appeal in Lublin (file ref. II AKa 71/16) ten gronde definitief is afgedaan, zodat de rechtbank de beslissing in hoger beroep aan artikel 12 OLW zal toetsen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon – via zijn advocaat – hoger beroep heeft ingesteld, deze advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging in hoger beroep te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces in hoger beroep ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing. 3.2 Genoegzaamheid De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet genoegzaam is. Blijkens het EAB vormt de beslissing in eerste aanleg de grondslag van het EAB. Uit de aanvullende informatie van 8 maart 2024 blijkt echter dat bij arrest in hoger beroep de zaak definitief is afgedaan, zodat de overlevering in werkelijkheid wordt gevraagd ten aanzien van laatstgenoemde beslissing. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in combinatie met de aanvullende informatie van 8 maart 2024 genoegzaam is. Het EAB moet gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis klaarblijkelijk het vonnis van the Regional Court in Radom van 27 juli 2015 (ref. II K 147/14). Dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld (en dat de procedure die tot vonnis heeft geleid aan artikel 12 OLW moet worden getoetst), maakt dit niet anders. Uit de aanvullende informatie blijkt ook dat dit vonnis is bevestigd door the Court of Appeal in Lublin van 28 april 2016 (ref. II AKa 71/16). De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid of 11 a, van de Opiumwet. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. 5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.