RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/737353 / HA ZA 23-702 Vonnis van 1 mei 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. S.C. Peeters. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 november 2023, - de akte overlegging producties aan de zijde van [eiser] , met productie 14, - de akte overlegging producties aan de zijde van [gedaagde] , met productie 6, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 januari 2024 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] , - de akte aan de zijde van [eiser] , - de akte aan de zijde van [gedaagde] , 1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken. 2De beoordeling kern van de zaak 2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn familie van elkaar en hebben in 2019 samen een woning gekocht. Partijen willen de woning nu verdelen, in die zin dat zij beiden het aandeel van de ander in de woning willen overnemen tegen betaling van de helft van de overwaarde. Daarnaast vordert [eiser] betaling van de helft van alle door haar betaalde kosten ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. [gedaagde] wil een gebruiksvergoeding voor het feit dat hij sinds september 2022 geen gebruik meer kan maken van de woning. 2.2. De woning wordt aan [eiser] toebedeeld waarmee [gedaagde] recht heeft op betaling van € 47.334,20 als zijn helft van de overwaarde. [gedaagde] moet verder een bedrag van € 43.315,28 aan [eiser] betalen als bijdrage in de kosten ten behoeve van de woning. [eiser] moet op haar beurt een gebruiksvergoeding aan [gedaagde] betalen. wat is er gebeurd? 2.3. Partijen hebben op 25 juni 2019 samen de woning aan de [adres] (hierna: de woning) gekocht voor een bedrag van € 260.000. Ter financiering daarvan hebben zij een hypotheeklening afgesloten. De woning is op 22 augustus 2019 aan partijen geleverd. 2.4. Tot 9 september 2022 hebben partijen samen in de woning gewoond. [eiser] en [gedaagde] hadden ieder een eigen slaapkamer en deelden de badkamer, woonkamer en keuken. Een derde slaapkamer werd door partijen gebruikt als was- en opslagruimte. 2.5. Op 9 september 2022 heeft [gedaagde] de woning verlaten. Sindsdien woont [eiser] in de woning met haar partner en in 2023 ook met een pasgeboren kind. 2.6. Partijen hebben na de mondelinge behandeling van 9 januari 2024 De Haas makelaars & taxateurs o.z. (hierna: De Haas) de opdracht gegeven om de woning te taxeren. In het door partijen overgelegde rapport van 13 februari 2024 heeft De Haas de woning getaxeerd op een marktwaarde van € 345.000. wat willen partijen? 2.7. [eiser] wil het eigendom van het aandeel van [gedaagde] in de woning overnemen, waarbij zij aan [gedaagde] de helft van de overwaarde zal betalen. Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde] gedurende de periode dat zij samen in de woning hebben gewoond, niet naar evenredigheid in de lasten van de woning en van de gezamenlijke huishouding heeft bijgedragen. Zij wil dat [gedaagde] dit alsnog doet. [eiser] vordert daarom – kort samengevat – het volgende: I. de wijze van verdeling van de woning vast te stellen, inhoudende dat zij alleen eigenaar van de woning wordt en de gezamenlijke hypotheeklening op haar naam overzet, waarbij zij aan [gedaagde] de helft van de overwaarde betaalt; II. [gedaagde] te veroordelen om over te gaan tot volledige medewerking aan de verkoop en levering van zijn aandeel in de woning aan [eiser] , dan wel aan het te koop zetten van de woning via een erkende NVM-makelaar, inclusief het verrichten van alle voor de overdracht of verkoop nodige handelingen, en wanneer [gedaagde] zijn medewerking niet verleent, dit vonnis in de plaats daarvan te laten treden; III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 44.345,30, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.661,54, te vermeerderen met de wettelijke rente; V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 2.8. [gedaagde] wil ook dat de woning wordt verdeeld. Hij wil op zijn beurt dat de woning aan hem wordt toebedeeld onder de voorwaarde dat hij aan [eiser] de helft van de overwaarde betaalt. Daarnaast wil hij dat er in ieder geval een schadevergoeding of gebruiksvergoeding wordt vastgesteld voor de periode dat hij geen gebruiksgenot van de woning heeft gehad en dat [eiser] wordt veroordeeld tot teruggave van zijn persoonlijke eigendommen en in de kosten van deze procedure. 2.9. De vorderingen in conventie (van [eiser] ) en in reconventie (van [gedaagde] ) zullen vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk worden behandeld. de woning wordt aan [eiser] toebedeeld 2.10. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een eenvoudige gemeenschap tussen partijen. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning verdeeld moet worden, maar partijen verschillen van mening over de wijze waarop dit moet gebeuren. Beiden willen de woning toebedeeld krijgen. De woning zal in eerste instantie aan [eiser] worden toebedeeld. Daartoe geldt het volgende. 2.11. Vast staat dat [gedaagde] de woning op 9 september 2022 heeft verlaten en dat [eiser] sindsdien in de woning woont met haar partner en sinds 2023 ook met haar minderjarige kind. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat zij in staat is om de hypotheeklening over te nemen, dat [gedaagde] uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor ontslagen kan worden en dat zij de helft van de overwaarde aan [gedaagde] kan betalen. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij de woning niet uit vrije wil heeft verlaten. Wel heeft hij inmiddels vervangende woonruimte gevonden. Ook heeft hij verklaard dat hij niet weet of hij de hypotheeklening over kan nemen. Bij deze stand van zaken ligt toedeling van de woning aan [eiser] , in ieder geval in eerste instantie, het meest voor de hand. Dat zij met haar kind daar woont en in staat is de financiering voort te zetten met ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijkheid weegt daartoe zwaar mee. Aan de toedeling zal de opschortende voorwaarde worden verbonden dat [gedaagde] , binnen twee maanden na wijzen van dit vonnis, door de hypotheekverstrekker wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. 2.12. Voor de overname van het aandeel in de woning zal [eiser] aan [gedaagde] de helft van de overwaarde moeten betalen. Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de woning te laten taxeren. Uit de door partijen overgelegde aktes blijkt dat De Haas de waarde van de woning heeft bepaald op € 345.000. Bij het bepalen van de overwaarde wordt uitgegaan van deze taxatiewaarde. Ook moet rekening worden gehouden met de gedane aflossingen op de hypotheeklening, omdat de overwaarde wordt vastgesteld door het in mindering brengen van de actuele stand van de hypotheeklening op de waarde van de woning. [gedaagde] heeft de actuele stand van € 250.331,60 niet weersproken, zodat wordt uitgegaan van een overwaarde van € 94.668,40 (€ 345.000,00 – € 250.331,60). De rechtbank gaat daarbij uit van de door [eiser] ter zitting genoemde stand en voorbij aan de latere stelling van [eiser] dat zij in werkelijkheid minder heeft afgelost, omdat zij dit voor het eerst na de mondelinge behandeling heeft gesteld en [gedaagde] niet meer in de gelegenheid is geweest om hier op te reageren. 2.13. Bij de verdeling van de overwaarde van een gemeenschappelijk goed geldt als uitgangspunt dat deelgenoten dit naar evenredigheid van hun aandeel in de gemeenschap verdelen. Omdat partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de woning, dient [eiser] de helft van de overwaarde van € 94.668,40, dus € 47.334,20, aan [gedaagde] te vergoeden. 2.14. Wanneer het [eiser] niet lukt om binnen twee maanden na het wijzen van dit vonnis de woning over te nemen, dan zal de woning worden toebedeeld aan [gedaagde] onder dezelfde opschortende voorwaarde dat [eiser] , binnen twee maanden na het verstrijken van de termijn van [eiser] , door de hypotheekverstrekker wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Blijkt geen van partijen in staat om de woning over te nemen, dan zal de woning verkocht moeten worden. Dit zal in de beslissing tot uiting worden gebracht. 2.15. Partijen zullen beide veroordeeld worden hun medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning zoals in dit vonnis is bepaald waarbij geldt dat de daarmee gepaard gaande kosten bij helfte zullen worden gedragen. Dat tot verdeling wordt gekomen is in hun beider belang, zoals zij ook hebben aangegeven. De vordering van [eiser] dit vonnis in de plaats te stellen van door [gedaagde] af te geven machtigingen (reële executie) wordt afgewezen. Deze vordering is te weinig specifiek en bovendien is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] niet aan een veroordeling zal voldoen. [gedaagde] is gehouden zijn aandeel in uitgaven ten behoeve van de woning te betalen 2.16. [eiser] stelt dat zij sinds de koop van de woning in 2019 alle uitgaven ten behoeve van de gemeenschap alleen heeft gedragen en vordert terugbetaling van de helft daarvan. [gedaagde] voert verweer en stelt dat partijen anders met elkaar zijn overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] gehouden is om de helft van (bepaalde) door [eiser] betaalde kosten aan haar terug te betalen. Daarvoor geldt het volgende. 2.17. Ingevolge artikel 3:172 BW dragen deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijk goed bij tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Dit betekent dat, zolang partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de woning, de met de woning verband houdende kosten tussen partijen gedeeld moeten worden, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of een verdeling bij helfte krachtens artikel 3:166 lid 3 jo. 6:2 BW in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. 2.18. [gedaagde] voert aan dat partijen na de koop van de woning zijn overeengekomen dat hij maandelijks een bedrag van € 500 betaalt als bijdrage in de uitgaven ten behoeve van de gemeenschap. Deze bijdrage heeft hij maandelijks contant aan [eiser] betaald, totdat hij de woning heeft verlaten, aldus [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit standpunt, tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiser] , niet verder onderbouwd. Zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling niet uit kunnen leggen waarom partijen deze afspraak hebben gemaakt en waarom hij de betalingen contant zou hebben gedaan, terwijl [eiser] heeft aangegeven dat partijen een gezamenlijke bankrekening hebben geopend ten behoeve van de gemeenschap. Daarnaast heeft [gedaagde] geen stukken overgelegd die zijn stelling onderbouwen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.