RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 23/2679 en 23/2686 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2024 in de zaken tussen In de zaak AMS 23/2679:[eisers] , uit [woonplaats 1], eisers (gemachtigde: mr. E. Doornbos), In de zaak AMS 23/2686: [eiser] , uit [woonplaats 2], eiser en In beide zaken: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. J. de Groot). Als derde-partij neemt aan het geding deel [naam 1] te ’[vestigingsplaats], vergunninghouder (gemachtigde: mr. J.R. Beelen). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning. 1.
- Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2024 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben namens [eisers] deelgenomen: [eisers] en de gemachtigde van [eisers] . Namens [eiser] is verschenen: [eiser] , de gemachtigde van [eiser] en [naam 2] , architect. Namens het college hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en [naam 3] . Namens vergunninghouder waren aanwezig: vergunninghouder, mr. C.A.B. Geertman als waarnemer van de gemachtigde van vergunninghouder en [naam 4] , architect. Totstandkoming van het besluit
- Op 31 mei 2022 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een balkon op de eerste en derde verdieping van het pand [adres] [huisnummer 1] . 2.
- Met het primaire besluit van 30 augustus 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Het college heeft het bouwplan getoetst aan het ter plekke geldende bestemmingsplan ‘[bestemmingsplan]’ (het bestemmingsplan). De balkons zijn geprojecteerd boven de bestemming tuin en daarmee in strijd. Het bestemmingsplan kent een mogelijkheid om af te wijken van deze regels ten behoeve van balkons, maar het bouwplan voldoet niet aan de hiervoor geldende toetsingscriteria. Er wordt niet voldaan aan de 45-graden-regel. Het college heeft ervoor gekozen om buitenplans af te wijken van het bestemmingsplan. [eiser] , eigenaar van het pand [adres] [huisnummer 2] en [eisers] , eigenaren van het pand [adres] [huisnummer 3] , hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.
- Met twee afzonderlijke bestreden besluiten van 7 april 2023 op de bezwaren van eisers heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Bij het pand is op de tweede verdieping namelijk reeds een balkon gerealiseerd. Volgens het college is de relatie van alle drie de balkons ten opzichte van de naastgelegen panden identiek. Verder zijn de ramen in de achtergevel van het buurpand [adres] [huisnummer 3] op een zodanige ruime afstand van de erfgrens gesitueerd en ligt de achtergevel van het pand [adres] [huisnummer 4] zodanig ver terug, dat door het plaatsen van beide balkons de privacy van de bewoners van de naastgelegen panden niet onevenredig wordt aangetast. Het uitvoeren van balkons met dezelfde afmeting als het vergunde balkon op de tweede verdieping zorgt bovendien voor een rustiger gevelbeeld. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Beoordeling door de rechtbank
- Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
- De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten. Dat betekent in deze zaken dat de rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid kon verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
- [eisers] voeren aan dat niet slechts een klein deel van het bouwplan buiten de 45 -graden-regel valt. Het gaat om maar liefst 70 centimeter. Op het geheel van de balkons is dat niet als klein te definiëren. Vanaf de balkons kan in hun tuin en uitbouw worden gekeken. Niet alleen vanaf de korte zijde, maar ook vanaf de lange zijde van de balkons is er uitzicht op hun perceel. De beoogde klimop of andere beplanting van 1,70 meter is te laag om inkijk te voorkomen en bovendien niet ondoorzichtig. Verder voeren [eisers] aan dat een eerder verleende omgevingsvergunning – die nog niet is uitgevoerd – geen reden is om nu dan ook maar twee balkons in strijd met het bestemmingsplan te mogen realiseren. Verder is volgens [eisers] overduidelijk sprake van een privaatrechtelijke belemmering, omdat de balkons zich binnen twee meter van de erfgrens met de woning en hun perceel bevindt. Dat is in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook levert het bouwplan naar een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geluidsoverlast op.
- [eiser] voert aan dat de enkele motivering dat gebouwd zal worden conform het eerder vergunde (maar nimmer gerealiseerde) balkon op de tweede verdieping, onjuist en onvoldoende is. Volgens [eiser] is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De zijkanten van de balkons zijn naar zijn erf gericht en bevinden zich binnen twee meter van de erfgrens. Dit is in strijd met artikel 5:50 van het BW. Volgens [eiser] is in ieder geval onvoldoende rekening gehouden met zijn belangen. Er is sprake van een onevenredige inbreuk op zijn privacy. Ook is er sprake van onrechtmatige hinder, omdat het balkon op de eerste verdieping licht wegneemt uit zijn tuin. Verder heeft [eiser] belang bij het voorkomen van schade aan de (gemeenschappelijke) fundering c.q. ongelijkmatige zetting en zakking van de fundering die tot schade aan de panden kan leiden. Volgens [eiser] is duidelijk dat bij de afweging van de belangen de relatie met de belendende panden niet dan wel ondeugdelijk is betrokken.
- Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en niet voldoet aan de mogelijkheid voor binnenplans afwijken. Het college kan de omgevingsvergunning slechts buitenplans verlenen, indien deze niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het college heeft daarbij beleidsruimte. Dat betekent dat het college de keuze heeft om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen.
- Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De bestuursrechter dient derhalve te toetsen of op grond van artikel 5:50 van het BW een evidente privaatrechtelijke belemmering moet worden aangenomen. Van een evidente privaatrechtelijke belemmering kan sprake zijn als het dakterras – eenvoudig gezegd – binnen twee meter van de erfgrens is gesitueerd. Niet ter discussie staat dat de geplande balkons gedeeltelijk zijn gelegen binnen een afstand van twee meter van de erfgrens van het perceel van eisers. Dat wil evenwel niet zeggen dat deze op grond van artikel 5:50 van het BW in geen geval zijn toegestaan. Met het treffen van maatregelen die de inbreuk op de privacy beperken, zoals het plaatsen van kunstgras en/of klimop, is naar het oordeel van de rechtbank de evidentie weggenomen, zodat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Of de mogelijke geluidsoverlast, het mogelijk wegnemen van licht in de tuin van [eiser] en mogelijke gevolgen voor de fundering (en schade als gevolg daarvan) een privaatrechtelijke belemmering oplevert, is eveneens aan de burgerlijke rechter. Ook in zoverre is de rechtbank niet gebleken van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
- Dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, neemt niet weg dat wel sprake kan zijn van onevenredige schending van de privacy en het woon- en leefklimaat van eisers. Het college moet hierin een eigen afweging maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat in dit geval geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy en het woon- en leefklimaat van eisers. Het college heeft in haar motivering om de balkons toe te staan met name gewezen op het reeds vergunde balkon voor de tweede verdieping. Omdat dit balkon al is vergund en de voor de eerste en derde verdieping aangevraagde balkons identiek zijn, staan de gevolgen van de balkons voor de belendende panden volgens het college niet aan vergunningverlening in de weg. De rechtbank is van oordeel dat het college hierbij is uitgegaan van het onjuiste uitgangspunt dat de balkons allemaal hetzelfde gepositioneerd zijn en de ruimtelijke relatie tussen de balkons en de naastgelegen panden voor alle balkons identiek is. Het balkon op de eerste verdieping ligt bijvoorbeeld dichter bij de uitbouw/serre en de koepel van de [adres] [huisnummer 3] dan de overige balkons. Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat er vanaf dit balkon direct in de woning van [eisers] gekeken kan worden, waar dat dit vanaf de hoger gelegen balkons minder goed mogelijk is. Het had op de weg van het college gelegen om per balkon te onderzoeken wat de impact is op de privacy en het woon- en leefklimaat van eisers en te motiveren waarom dit al dan niet aan vergunningverlening in de weg staat. Daar komt bij dat het voorstelbaar is dat helmgras of klimop niet in alle gevallen voldoende de privacy waarborgt. Ook dit moet per geval worden bekeken en – zoals het college ook op de zitting heeft erkend – indien als afdoende beoordeeld, als voorschrift in de vergunning worden opgenomen.
- De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank doet daarom een tussenuitspraak. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
- Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
- Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
- De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 april
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, Wabo, in samenhang met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het BOR Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
- Dit is in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:80a van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.