vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/011852-23 (promis) Datum uitspraak: 13 mei 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988, wonende op het adres [adres 1] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 13 februari 2024, 15 februari 2024, 5 maart 2024 en 13 mei
(3)jaar met vervangende hechtenis van een week per overtreding. De rechtbank vindt het geen toegevoegde waarde hebben om daarnaast nog een gebiedsverbod ex artikel 38v Sr op te leggen. Voorlopige hechtenis Verdachte is op 10 januari 2023 in verzekering gesteld en op 13 januari 2023 in bewaring gesteld. Op 23 januari 2023 is de gevangenhouding van verdachte bevolen voor de duur van 90 dagen. Op 12 september 2023 is de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 13 september 2023. Op 9 januari 2024 is de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven vanwege overtreding van meerdere aan de schorsing verbonden voorwaarden. Op 9 januari 2024 is andermaal de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 9 januari 2024. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis moet herleven met ingang van de datum van de einduitspraak in eerste aanleg. De rechtbank heeft dit opgevat als een verzoek tot opheffing van de schorsing. De raadsman heeft daarentegen verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis na einduitspraak te laten voortduren, oftewel het verzoek tot opheffing af te wijzen. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van langere duur op. Dat is voor de rechtbank reden om het verzoek tot opheffing van de schorsing toe te wijzen. De rechtbank ziet in dat wat door de verdediging naar voren is gebracht geen reden om dat niet te doen. Dat betekent dat het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. 9Beslag 9.1. De in beslag genomen voorwerpen Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: 1. EUR - (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6286702) 2. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6287519, Samsung A03) 3. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2023007331-G628730, Apple IPhone 11) 4. 1 STK Stroomstootwapen (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6286886) 5. 1 STK Randapparatuur (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6290681, Trace apparatuur) 6. 1 STK Handschoen (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6286699) 7. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6287519, Zwart, merk: Samsung) 8. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2023007331-G628730, Zwart, merk: Apple). De rechtbank stelt vast dat de onder 2 en onder 7 genoemde voorwerpen hetzelfde goednummer hebben. Hetzelfde geldt voor de onder 3 en 8 genoemde voorwerpen. De rechtbank houdt het ervoor dat het hier om dezelfde voorwerpen gaat en dat abusievelijk twee keer hetzelfde voorwerp op de beslaglijst is gezet. Bij die stand van zaken zal de rechtbank alleen een beslissing nemen ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde voorwerpen. 9.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen Samsung telefoon, randapparatuur, iPhone en handschoen verbeurd worden verklaard. Het in beslag genomen stroomstootwapen dient wat de officier van justitie betreft te worden onttrokken aan het verkeer. Het in beslag genomen geldbedrag kan worden teruggegeven aan verdachte. 9.3. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om alle (waardevolle) in beslag genomen goederen aan verdachte terug te geven. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 9.4. Oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring Het onder 2 genoemde voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard. Onttrekking aan het verkeer Het onder 4 genoemde voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer en is daarvoor ook vatbaar, omdat het in de laadruimte van de Fiat Talento is aangetroffen, de rechtbank het ervoor houdt dat het stroomstootwapen bestemd was tot het begaan van het bewezenverklaarde feit en dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Teruggave aan verdachte De onder 1, 3, 5 en 6 genoemde goederen behoren aan verdachte toe. Aangezien deze goederen niet voor onttrekking aan het verkeer vatbaar zijn en niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komen, beslist de rechtbank dat deze goederen aan verdachte worden teruggegeven. 10Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 10.1. De vorderingen Als benadeelde partijen hebben in dit strafproces schadevergoeding gevorderd: het slachtoffer [benadeelde partij 1] , de moeder van het slachtoffer [benadeelde partij 2] . Hun vorderingen tot schadevergoeding hebben betrekking op verschillende soorten schade, waaronder ook zogenoemde shockschade. [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.500,00 aan vergoeding van materiële schade (toekomstige medische (reis- en parkeer)kosten) en € 12.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de benadeelde partij het volgende aangevoerd. De materiële schade betreft toekomstige kosten. De gestelde kosten zijn nog niet gemaakt. Deze schadepost is opgenomen voor het geval hoger beroep wordt ingesteld. De benadeelde partij gaat er vanuit dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij aangevoerd dat hij als gevolg van de ontvoering angsten heeft ontwikkeld en moeite heeft mensen te vertrouwen. Hierdoor wordt hij belemmerd in zijn bewegingsvrijheid. Hij heeft een doorverwijzing van de huisarts gekregen naar [instantie] , zodat hij kan worden behandeld voor zijn psychische klachten. Ter onderbouwing hiervan heeft de benadeelde partij een kopie van de doorverwijzing overgelegd. [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.800,00 aan vergoeding van materiële schade (toekomstige medische (reis- en parkeer)kosten en kapotte telefoon) en € 7.500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de benadeelde partij het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de materiële schade heeft de benadeelde partij het volgende aangevoerd. De medische (reis- en parkeer)kosten betreffen toekomstige kosten. De gestelde kosten zijn nog niet gemaakt. Deze schadepost is enkel opgenomen voor het geval er hoger beroep wordt ingesteld. De benadeelde partij gaat er vanuit dat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in dit deel van haar vordering. [benadeelde partij 1] had ten tijde van de ontvoering een IPhone 10X bij zich. De benadeelde partij heeft deze telefoon aangeschaft. Nadat de telefoon kapot is gegaan, heeft de benadeelde partij een IPhone 12 voor [benadeelde partij 1] gekocht. De schade wordt begroot op € 300,00 en de benadeelde partij kan deze schade ex artikel 6:107 lid 1 sub a BW als verplaatste schade vorderen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij gesteld dat zij grote angst heeft gehad over of haar zoon terug zou komen en hoe zij hem terug zou krijgen. Als gevolg hiervan is zij gediagnosticeerd met post traumatische stressklachten en ondergaat zij daarvoor behandeling bij een psycholoog gericht op traumaverwerking. Ter onderbouwing hiervan heeft de benadeelde partij een kopie van een e-mail van een klinisch psycholoog-psychotherapeut overgelegd. De benadeelde partij verzoekt primair de immateriële schade als shockschade toe te wijzen en subsidiair om de vordering toe te wijzen analoog aan de criteria van shockschade op grond van artikel 6:106 sub b BW (aantasting in de persoon anderszins). 10.2. Het standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het immateriële deel van de vordering van [benadeelde partij 1] voldoende is onderbouwd en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 1] dient volgens de officier van justitie in het materiële deel van zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu die kosten nog niet zijn gemaakt. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2] Het materiële deel van de vordering van [benadeelde partij 2] dat ziet op de kapotte telefoon, kan hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient in het deel dat ziet op de toekomstige kosten niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu die kosten nog niet zijn gemaakt. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in het immateriële deel van de vordering, omdat vergoeding van shockschade niet in dit strafgeding kan worden gevorderd.. 10.3. Het oordeel van de rechtbank [benadeelde partij 1] Materiële schade De rechtbank verklaart de benadeelde partij, in lijn met wat namens de benadeelde partij daarover zelf naar voren is gebracht, niet-ontvankelijk in zijn vordering voor wat betreft de materiële schade. Toekomstige schade is – gelet op de aard ervan – niet eenvoudig vast te stellen, ook omdat in dit geval enige (deskundige) onderbouwing ontbreekt. Dit deel van de vordering vereist dan ook nader onderzoek en leent zich daarom niet voor behandeling in het strafproces. Immateriële schade Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van: a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen; b. aantasting in de persoon door (
- i)het oplopen van lichamelijk letsel, door (
- ii)schade in zijn eer of goede naam of (iii) op andere wijze; c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene. Van de onder 6:106 onder b sub iii BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gezien de aard en de ernst van wat de benadeelde partij zelf heeft moeten ondergaan, is evident dat artikel 6:106 onder b sub iii BW een grondslag biedt voor vergoeding van immateriële schade die de benadeelde partij als slachtoffer van een ernstig misdrijf heeft opgelopen. Dat het hier gaat om een gebeurtenis die bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok heeft veroorzaakt, acht de rechtbank alleszins begrijpelijk en aannemelijk geworden. Het feit dat de benadeelde partij nog aan de start staat van zijn behandeltraject en het bestaan van geestelijk letsel daarom nog niet door een deskundige is vastgesteld, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank stelt daarom vast dat aan de benadeelde partij door het primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 5.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit gedeelte van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als en voor zover verdachtes mededader(
- s)betaalt/betalen, hoeft verdachte die schade niet meer te betalen. Schadevergoedingsmaatregel In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 60 dagen. [benadeelde partij 2] Materiële schade De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de toekomstige kosten, in lijn met wat namens de benadeelde partij daarover zelf naar voren is gebracht, niet-ontvankelijk in haar vordering. Toekomstige schade is – gelet op de aard ervan – niet eenvoudig vast te stellen, ook omdat in dit geval enige (deskundige) onderbouwing ontbreekt. Dit deel van de vordering vereist dan ook nader onderzoek en leent zich daarom niet voor behandeling in het strafproces. De rechtbank wijst de gevorderde kosten met betrekking tot de telefoon af, nu het causale verband tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde schade aan de telefoon niet is komen vast te staan, zodat niet aangenomen kan worden dat de benadeelde partij rechtstreekse schade heeft geleden. Immateriële schade Recht op vergoeding van immateriële schade zoals hiervoor onder artikel 6:106 onder b sub (iii) BW bedoeld, bestaat ook als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, wat zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond (zogenoemde ‘shockschade’). De Hoge Raad heeft op 28 juni 2022 een lijn uitgezet voor de beoordeling van verzoeken tot vergoeding van shockschade. De Hoge Raad heeft in dit arrest overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. De rechtbank sluit haar ogen niet voor het feit dat de ontvoering van haar zoon een impact op de benadeelde partij als moeder heeft gehad en misschien nog wel steeds heeft. Die erkenning kan alleen geen grond voor aansprakelijkheid voor shockschade zijn, nu niet gesteld of gebleken is dat [benadeelde partij 1] gewond is geraakt door de ontvoering. Reeds hierom is toewijzing van de vordering ten aanzien van de shockschade niet aan de orde. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de persoon van de benadeelde in artikel 6:106 BW onder b degene betreft die zelf is getroffen door de onrechtmatige daad, zodat ten aanzien van naasten in het wettelijk systeem geen plaats is voor vergoeding van schade in de vorm van aantasting in de persoon die geen shockschade is. Ook voor zover de vordering ziet op toekenning van geleden immateriële schade op de grondslag van de aantasting in de persoon op andere wijze (zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW), wordt deze – nu het gaat om een vordering van een naaste en niet van het primaire slachtoffer zelf – afgewezen. De gevorderde shockschade wordt afgewezen. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht. 12Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (zegge dertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (zegge drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum 2] . Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (zegge één week) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. Verklaart verbeurd: 2. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6287519, Samsung A03). Verklaart onttrokken aan het verkeer: 4. 1 STK Stroomstootwapen (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6286886). Gelast de teruggave aan [verdachte] van: 1. EUR - ibgn; 10-01-2023 400 (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6286702) 3. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2023007331-G628730, Apple Iphone 11) 5. 1 STK Randapparatuur (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6290681, Trace apparatuur) 6. 1 STK Handschoen (Omschrijving: PL1300-2023007331-G6286699). Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 5.000,00 (zegge vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 10 januari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 5.000,00 (zegge vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 10 januari 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of zijn mededaders aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij vervalt. Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering (voor wat betreft de toekomstige medische (reis- en parkeer)kosten). Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.W.H.G. Loyson, voorzitter, mrs. M. Vaandrager en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2024. Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 11. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 14 en 15. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 18. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 15. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 1. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 2. Proces verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 4. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 6. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 6 en 7. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 27. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 7. Proces-verbaal, rubriek 5, p. 57 en 58. Proces-verbaal van bevindingen tactische doorzoeking [kenteken 1] , rubriek 5, p. 88. Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Fiat [kenteken 1] ), rubriek 8, p. 74. Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Fiat [kenteken 1] ), rubriek 8, p. 74. Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Fiat [kenteken 1] ), rubriek 8, p. 74. Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Fiat [kenteken 1] ), rubriek 8, p. 73 en 74. Proces-verbaal aangifte, rubriek 2, p. 1 en 2. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 9 en 10. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 10. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 14. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 11. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 8. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 12. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 10. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 13 en proces-verbaal aangifte, rubriek 2, p. 2. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 14. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 15. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 13. Proces-verbaal van verhoor aangever, rubriek 2, p. 14 en 15. Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 24 maart 2023. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 448 en 449. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 449 en 450. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 24-26 en proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 35 en proces verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 184. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 66. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 195 en 196. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 267 en 268. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 451. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 452. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 453. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 453. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 284. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 285. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 24 maart 2023, persoonsdossier [medeverdachte 2] , p. 28-30. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 453 en 455. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 24 maart 2023, persoonsdossier [medeverdachte 2] , p. 26 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 83. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 65. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 66. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 12 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 13 en 14 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 15 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 16. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 16. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 18 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 456. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 68 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 19. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 68-71 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 457. Proces-verbaal, rubriek 5, p. 57-58. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 58. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 112 en 114. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 114. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 120. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 121. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5. p. 123 tot en met 129. Proces-verbaal van aanhouding verdachte, persoonsdossier [verdachte] , p. 6. Proces-verbaal, rubriek 5, p. 59 Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 116. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 118. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 116. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 236. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 239 en 241. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 256. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 267 en 268. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 267 en 268. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] van 24 maart 2023, persoonsdossier [medeverdachte 2] , p. 26 en 31. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 401 en 402. Een geschrift, te weten een rapport DNA-onderzoek, rubriek 8, p. 6-10. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 153-164. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 197 en 198. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 198 en proces-verbaal van bevindingen rubriek 5, p. 201. Proces-verbaal van verhoor getuige, rubriek 3, p. 36. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 208. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek, p. 158 en 159. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 162. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 209 en 210. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 160 en 161. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 656. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 256. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 267 en 268. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 161. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 161 en 162. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 179 en 180 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5 p. 181-182. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 168 en proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 169-170. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 467. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 470-471. Proces-verbaal van bevindingen, rubriek 5, p. 467-469. ECLI:NL:HR:2022:958. Zie ook ECLI:NL:PHR:2021:230.