RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-064847-24 Datum uitspraak: 16 mei 2024 UITSPRAAK op de vordering van 4 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 februari 2023 door een rechter van het Amtsgericht Gütersloh, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1962, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 mei 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Slowaakse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Slowaakse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht Gütersloh van 14 december 2011 (rechtsgeldig sinds 12 oktober 2012), met kenmerk 8 Ls-36 Js 1402/11-149/
- De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf wordt volgens het EAB verminderd met de periode waarin de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis heeft gezeten, te weten van 21 juni 2011 tot 14 december
- (In het EAB staat 21 juni 2021 vermeld, hetgeen de rechtbank opvat als een kennelijke verschrijving). De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding In de aanvullende informatie van 27 maart 2024 heeft de Staatsanwalt van het Staatsanwaltschaft Bielefeld (naar de rechtbank begrijpt namens de uitvaardigende justitiële autoriteit) vermeld dat hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de Gütersloh Local Court (ofwel het Amtsgericht Gütersloh zoals in het EAB wordt genoemd) van 14 december
- Dit hoger beroep is ‘dismissed’ door the Bielefeld Regional Court. Vervolgens is ook hier een rechtsmiddel tegen ingesteld, dat ‘rejected’ is door the Hamm Higher Regional Court. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd op dit punt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet. Oordeel van de rechtbank Als het proces in meerdere opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet vaststellen bij welke procedure de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom zekerheidshalve de procedures bij the Bielefeld Regional Court en the Hamm Higher Regional Court toetsen. Ten aanzien van de procedure bij the Bielefeld Regional Court Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard in persoon, met zijn advocaat, te zijn verschenen bij deze procedure. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom ten aanzien van deze procedure niet aan de orde. Ten aanzien van de procedure bij the Hamm Higher Regional Court: Ter zitting heeft de opgeëiste persoon toegelicht dat de procedure in derde instantie bij the Hamm Higher Regional Court op zijn verzoek door zijn advocaat is gevoerd. Dit betrof volgens de opgeëiste persoon een schriftelijke procedure, een revisie, waarbij hij werd vertegenwoordigd door zijn advocaat en geen zitting heeft plaatsgevonden. Hoewel de rechtbank niet beschikt over informatie met betrekking tot de aard van de procedure in ‘revisie’, stelt zij op basis van deze informatie vast dat – voor zover die procedure al valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW – sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De opgeëiste persoon was op de hoogte van het voorgenomen proces, nu het rechtsmiddel door hem en zijn advocaat is ingesteld. Er was weliswaar geen mondelinge behandeling, maar zijn gemachtigd advocaat heeft hem daadwerkelijk in de schriftelijke procedure – en dus tijdens het proces – verdedigd. 4Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Verjaring naar Duits recht Standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overleveringszaak moet worden aangehouden om nadere informatie op te vragen om te kunnen beoordelen of er sprake is van verjaring naar Duits recht. Een Duitse advocaat heeft verklaard dat de tenuitvoerleggingstermijn van het vonnis in onderhavige zaak tien jaar zou betreffen volgens artikel 79 van het Strafgesetzbuch (StGB; het Duitse Wetboek van Strafrecht) en dus op 12 oktober 2022 zou zijn verstreken. De verdediging heeft een onvertaalde, Duitstalige brief overgelegd waaruit zou blijken dat de verjaringstermijn is gestuit doordat de opgeëiste persoon in 2012 in Tsjechië is aangehouden. De verdediging verzoekt de rechtbank om het Duitse arrest aan het dossier toe te laten voegen, zodat de mogelijke verjaring kan worden beoordeeld als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub f, OLW. Oordeel van de rechtbank Verjaring naar het recht van de uitvaardigende lidstaat is geen weigeringsgrond en valt niet onder de reikwijdte van artikel 9, eerste lid, sub f, OLW. De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat mogelijk geen sprake zou zijn van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, OLW. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om hierover nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. De Staatsanwalt van het Staatsanwaltschaft Bielefeld heeft bij e-mail van 29 februari 2024 (naar de rechtbank begrijpt namens de uitvaardigende justitiële autoriteit) immers laten weten dat de tenuitvoerleggingstermijn van het vonnis zal verstrijken op 26 juni 2030, en dat dit vonnis dus nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Op basis van het vertrouwensbeginsel dient uitgegaan te worden van de juistheid van deze informatie. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd geeft geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat aan de verstrekte informatie moet worden getwijfeld. De rechtbank zal het onderzoek daarom niet heropenen om nadere informatie op te vragen. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Gütersloh, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter, mrs. B. van Galen en R.A. Sipkens, rechters, in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 mei
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.