RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-114812-24 (EAB IV) Datum uitspraak: 14 mei 2024 TUSSEN UITSPRAAK op de vordering van 4 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2024 door District Court, Miskolc, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1995, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 april 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een Hungarian arrest warrant approved by the Miskolc District Prosecution Office on 7 March 2024 with the number 05010/80-50/
- De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat het EAB niets vermeldt over de betrokkenheid van de opgeëiste persoon. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het EAB vermeldt dader als vorm van betrokkenheid. Het onderzoek is begonnen naar een onbekende dader, wat heeft geleid tot het uitvaardigen van het EAB, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht de feiten te hebben begaan. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdatum, de mate van betrokkenheid (dader), waarbij de rechtbank uit het uitvaardigen van het EAB tegen de opgeëiste persoon opmaakt dat hij er kennelijk van wordt verdacht de in het EAB omschreven feiten te hebben begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 7 OLW moet worden geweigerd. Door de raadsman zijn de strafbare feiten aangemerkt als plundering, wat in Nederland buiten een oorlogssituatie niet strafbaar is. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten kunnen worden gekwalificeerd als diefstal. Het oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer - kort gezegd - is voldaan aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De rechtbank is met de officier van justitie en anders dan de raadsman van oordeel dat de feiten naar Nederlands recht opleveren: telkens: diefstal. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden kan de overlevering worden toegelaten. De rechtbank zal de beslissing echter aanhouden, totdat ook in de andere EAB’s (met parketnummers 13-070348-24 (EAB I), 13-070360-24 (EAB II) en 13-104063-24 (EAB III) die gelijktijdig zijn behandeld) uitspraak wordt gedaan. 6Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd, zodat gelijktijdig uitspraak kan worden gedaan in de zaken van EAB’s met parketnummers 13-070348-24 (EAB I), 13-070360-24 (EAB II) en 13-104063-24 (EAB III). HOUDT AAN de beslissing over de overlevering van [opgeëiste persoon] aan District Court, Miskolc, Hongarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 19 juni 2024, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn in EAB II (13-070360-24). BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Hongaarse taal tegen voornoemd tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. Ch. A. van Dijk, voorzitter, mrs. P. Sloot en H.P. Kijlstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 mei
- Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.