RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/189570-23 (was: 13/751523-20) (EAB 2) Datum uitspraak: 21 mei 2024 UITSPRAAK op de vordering van 2 juli 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2017 door the District Court of Legnica - III Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, laatst bekende adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang Zitting 3 september 2020 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2020, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft het onderzoek op deze zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over de Poolse rechtstaat af te wachten. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Zitting 7 mei 2024 De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 7 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven. De raadsvrouw heeft desgevraagd verklaard dat de opgeëiste persoon haar uitdrukkelijk heeft gemachtigd om namens hem het woord te voeren. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor de overleveringsdetentie. De rechtbank stelt dat ook vast dat de overleveringsdetentie is geëindigd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court of Lubin (Polen) van 23 maart 2015, referentie: II K 88/15. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 3 maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Het oordeel van de rechtbank Op basis van het EAB en alle aanvullende informatie van overweegt de rechtbank als volgt. Het vonnis van the Regional Court of Lubin van 23 maart 2015 De opgeëiste persoon is op 23 maart 2015 door the Regional Court of Lubin (II K 88/15) veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 1 jaar en 4 maanden. De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Het vonnis is - kort gezegd - gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek een verblijfs- en correspondentieadres heeft opgegeven ( [adres] ) en dat hij toen is geïnformeerd over zijn rechten en plichten als verdachte, waaronder de verplichting om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven. Ook is hij daarbij gewezen op de mogelijke gevolgen als hij niet aan die verplichting voldoet, waaronder dat de oproeping voor de zitting op het laatst opgegeven adres als rechtsgeldig wordt beschouwd en dat de zitting in zijn afwezigheid kan plaatsvinden. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze instructie getekend. De oproep voor de zitting is vervolgens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verzonden en is daar door zijn moeder in ontvangst genomen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de lopende strafzaak en dat hij wist dat correspondentie over deze procedure naar het door hem opgegeven adres zou worden verzonden, hetgeen ook is gebeurd. Door geen inspanningen te verrichten om (eventueel via zijn moeder) op de hoogte te blijven van het verloop van de strafzaak, heeft de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank (stilzwijgend) afstand gedaan van zijn recht om bij het strafproces aanwezig te zijn en is hij niet in zijn verdedigingsrechten geschaad. De beslissing tot tenuitvoerlegging van the Regional Court of Lubin van 9 maart 2017 Vervolgens is bij beslissing van the Regional Court of Lubin van 9 maart 2017 (II Ko 126/17) de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf van 1 jaar en 4 maanden bevolen. De beslissing tot tenuitvoerlegging is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. De beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De reden voor de beslissing tot tenuitvoerlegging is echter gelegen in drie nieuwe veroordelingen, te weten bij: vonnis van the Regional Court of Lubin van 14 mei 2015 (II K 498/15); vonnis van the Regional Court of Lubin van 19 juni 2015 (II K 649/15); vonnis van the Regional Court of Lubin van 14 december 2016 (II K 1122/16). Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.