← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:2898

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/154 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen [eiseres] , te Amsterdam, eiseres (gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema), en de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen, verweerder ( [heffingsambtenaar] ). Inleiding Met een besluit van 10 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd. Met de uitspraak op bezwaar van 12 december 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april

  1. Partijen waren – met voorafgaand bericht – niet aanwezig. Overwegingen
  2. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, omdat eiseres volgens de heffingsambtenaar op 7 oktober 2023 zou hebben geparkeerd op een parkeerplek op de [adres] in Diemen zonder dat zij parkeerbelasting had betaald.
  3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
  4. Eiseres voert aan dat er geen belasting bestond om na te heffen. De eerste twee uur parkeren op de [adres] zijn namelijk gratis. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij langer dan twee uur geparkeerd heeft gestaan. In de Parkeerverordening Diemen 2020 (hierna: de Parkeerverordening) wordt het niet in rekening brengen van de eerste twee uur niet van een aanmelding afhankelijk gesteld.
  5. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de controle op een parkeerrecht het tijdstip van de kentekenlezing van de scanauto wordt gebruikt. Alleen als de aangifte is voldaan, dat wil zeggen het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur, worden de eerste twee uur niet in rekening gebracht.
  6. De rechtbank overweegt dat als belasting behoort te worden voldaan of afgedragen en deze belasting (gedeeltelijk) niet is betaald, de heffingsambtenaar de te weinig geheven belasting kan naheffen. Artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) beperkt de mogelijkheid tot naheffing tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, maar niet is betaald.
  7. Niet in geschil is dat eiseres heeft geparkeerd op een locatie waar op het betreffende tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd van € 1,50 per uur, waarbij op grond van de Parkeerverordening de eerste twee uur gedurende een aaneengesloten periode niet in rekening wordt gebracht. Verder is onbetwist dat eiseres minder dan twee uur heeft geparkeerd, zodat de rechtbank van de juistheid van die stelling van eiseres uitgaat. Anders dan de rechtbank eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 26 april 2023, volgt niet uit de Parkeerverordening dat de eerste twee uur alleen dan niet in rekening wordt gebracht als bij aanvang van het parkeren het kenteken is aangemeld bij de parkeerautomaat of door middel van een parkeerapp. Voor zover de heffingsambtenaar de rechtbank op deze uitspraak heeft gewezen, merkt de rechtbank op dat zij al eerder in de uitspraak van 17 januari 2024 hiervan is teruggekomen.
  8. Dit brengt met zich mee dat eiseres op grond van de Parkeerverordening geen parkeerbelasting hoefde te betalen en er dus geen sprake is van niet betaalde belasting ter zake waarvan op grond van artikel 20 AWR een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Het is de heffingsambtenaar niet toegestaan een naheffingsaanslag op te leggen ter zake van parkeerbelasting die op grond van de Parkeerverordening niet verschuldigd is. De heffingsambtenaar heeft dan ook ten onrechte parkeerbelasting nageheven. Conclusie en gevolgen
  9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door ook de naheffingsaanslag te vernietigen. Dit betekent dat eiseres de naheffingsaanslag niet hoeft te betalen. Als zij de naheffingsaanslag al heeft betaald moet de heffingsambtenaar het betaalde bedrag aan eiseres terugbetalen.
  10. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden. De rechtbank ziet verder aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en in beroep. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 747,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 310,-, en daarnaast 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- vermenigvuldigd met een wegingsfactor van 0,5). Gelet op de jurisprudentie van de gerechtshoven kan voor parkeerbelastingen in principe worden uitgegaan van een wegingsfactor licht (0,5). Van bijzondere omstandigheden die nopen tot een afwijking van dit uitgangspunt is de rechtbank niet gebleken.
  11. Door eiseres is verzocht om wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht. De rechtbank zal dat toewijzen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is verzonden tot de dag van voldoening. veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 747,50, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is verzonden tot de dag van voldoening. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei
  12. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij het gerechtshof Amsterdam binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in combinatie met artikel 231 van de Gemeentewet. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:
  13. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:
  14. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:
  15. Vergelijk de uitspraken van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:388 en van 11 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:
  16. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2023 ECLI:NL:GHSHE:2021:3315

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.