← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:29

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/291043-23 Datum uitspraak: 3 januari 2024 UITSPRAAK op de vordering van 6 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 mei 2023 door The Circuit Court in Sosnowiec (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [woonplaats] , gedetineerd [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 december 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Habib, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court in Dąbrowa Górnicza van 10 januari 2023 met kenmerk II KP 1/23-/-. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 4, te weten: seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Onschuldverweer De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten. De ex-vrouw van de opgeëiste persoon is een lastercampagne tegen hem gestart. Al eerder heeft zij de opgeëiste persoon van soortgelijke feiten beschuldigd, wat toen tot een sepotbeslissing heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat de onschuld van de opgeëiste persoon met deze enkele ontkennende verklaring ter zitting niet is aangetoond, hetgeen de OLW vereist. De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW 6.

  1. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd, nu het eerste strafbare feit gepleegd zou zijn op een onbekende dag in de periode van 2017 tot juni 2021 en het tweede feit tussen oktober 2020 en juni
  2. Naast het feit dat deze periode erg ruim genomen is, verblijft de opgeëiste persoon sinds 2020 in Nederland. Indien de opgeëiste persoon zich schuldig zou hebben gemaakt aan de feiten waarvan hij wordt verdacht, zouden deze feiten geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. 6.
  3. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van de weigeringsgrond. Het EAB is overigens genoegzaam. 6.
  4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat uit de genoegzame feitomschrijving en de overige informatie niet volgt dat de feiten geacht moeten worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW is daarom niet aan de orde. 7Proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel 7.
  5. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft gesteld dat overlevering in strijd is met het beginsel van proportionaliteit, omdat de opgeëiste persoon al eerder is geconfronteerd met valse beschuldigingen van ontucht. Deze zaak is geseponeerd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon sinds 2020 een bestaan opgebouwd in Nederland met zijn verloofde. Overlevering is verder in strijd met het beginsel van subsidiariteit, aldus de raadsman. De opgeëiste persoon is bereid om zijn medewerking te verlenen aan een Europees onderzoeksbevel (EOB), waarvoor door de Poolse advocaat reeds een verzoek is ingediend. De opgeëiste persoon wordt onevenredig hard getroffen door overlevering, gelet op het vermoeden van onschuld, zijn persoonlijke omstandigheden en zijn financiële situatie (eigen bedrijf). 7.
  6. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanknopingspunten zijn om van overlevering af te zien, nu niet is gebleken dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet in acht zijn genomen. 7.
  7. Het oordeel van de rechtbank De verweren die, naar de rechtbank begrijpt, inhouden dat overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen onevenredig zou zijn, slagen niet. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank ervan uitgaan dat de Poolse rechter niet lichtvaardig van het instrument van het EAB gebruik maakt en bij de uitvaardiging van het EAB, in het bijzonder de evenredigheid van de uitvaardiging daarvan, heeft getoetst. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, is daarvoor niet voldoende. De enkele omstandigheid dat er mogelijk een alternatief voorhanden is ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, namelijk het uitvaardigen van een EOB, waartoe door de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon een verzoek is ingediend, maar waarvan onduidelijk is wanneer dit verzoek wordt behandeld en/of wanneer daarop beslist wordt en welke invloed die beslissing zal hebben op de al dan niet voortzetting van het EAB, is niet een dergelijke omstandigheid. Het is tot slot aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om een keuze te maken of van een EAB of een EOB gebruik wordt gemaakt en op dit moment ligt een EAB voor waarop de rechtbank moet beslissen. De rechtbank verwerpt daarom de verweren. 8Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 9Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 11Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan The Circuit Court in Sosnowiec in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:
  8. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.
  9. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.