RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/065877-24 Datum uitspraak: 22 mei 2024 UITSPRAAK op de vordering van 15 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juli 2023 door het Amtsgericht Hechingen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag 1] 1992 te [geboorteplaats] (Algerije), alias [alias opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag 2] 1995 te [geboorteplaats] (Algerije) zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft door middel van een schriftelijke verklaring afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink, advocaat in Almere, die namens hem het woord heeft gevoerd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De raadsman heeft opgemerkt dat uit moet worden gegaan van de hiervoor genoemde persoonsgegevens van [alias opgeëiste persoon]. De raadsman heeft verder aangevoerd dat zijn cliënt niet de persoon is die door de Duitse autoriteiten wordt bedoeld in het EAB. De Duitse autoriteiten zijn op naar een zekere [opgeëiste persoon] die zich uitgeeft voor [alias opgeëiste persoon] en uit de stukken blijkt niet dat dit één en dezelfde persoon is. De officier van justitie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard dan wel moet de overlevering worden geweigerd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de raadsman niet kan slagen. In het dossier bevindt zich een rapport dactyloscopisch identiteitsonderzoek van 19 maart 2024 waaruit blijkt dat er een match is tussen de persoon die in Duitsland wordt gezocht en de persoon die in Nederland is aangehouden en voor deze overleveringszaak in detentie zit. Bij de rechtbank bestaat daarom geen twijfel dat de persoon in overleveringsdetentie voor dit EAB de persoon is die in het EAB wordt bedoeld en dus de door Duitsland gezochte persoon is. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Hechingen van 6 juli 2023, dossiernummer 1 Gs 678/23. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 27, te weten: verkrachting. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 7Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [alias opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Hechingen (Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 mei 2024. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.