RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.080.690-24 Datum uitspraak: 22 mei 2024 UITSPRAAK op de vordering van 11 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 15 september 2023 door de Advocaat-generaal bij het Hof van beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in Eindhoven op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.R. van de Velde (namens zijn kantoorgenoot mr. J. van Wijk), advocaat in Eindhoven. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn. Uit de stukken blijkt verder dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen van 13 september 2023 met onmiddellijke aanhouding, referentie 2020/PGA/1038 (Griffienummer: 1153/2023). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2190 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt echter dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces (hij heeft immers zelf hoger beroep ingesteld) en dat hij een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, terwijl die advocaat (dan wel zijn waarnemers) tijdens het proces zijn verdediging heeft gevoerd. Gelet daarop mag de overlevering niet op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. 5Strafbaarheid Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de in België opgelegde straf aldaar wil uitzitten. De rechtbank is van oordeel dat artikel 6a, eerste lid, OLW niet in de weg staat aan overlevering van de opgeëiste persoon. Artikel 6a, eerste lid, geeft uitvoering aan artikel 4, onder 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, welke bepaling er in het bijzonder toe strekt de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht toe te kennen aan de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie van de opgeëiste persoon te verhogen. Artikel 6a, eerste lid, OLW betreft echter een facultatieve weigeringsgrond die restrictief moet worden uitgelegd. Uitgangspunt is dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd. Nu de opgeëiste persoon geen beroep doet op artikel 6a OLW, ziet de rechtbank hoe dan ook aanleiding om af te zien van de mogelijkheid om de overlevering op grond van artikel 6a OLW te weigeren. De rechtbank komt in deze zaak daarom niet toe aan de vraag of de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in België kan plaatsvinden dan in Nederland. 7Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er, gelet op de detentieomstandigheden in België, ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldeed. Daarom is op 9 april 2024 namens het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden van de Federale overheidsdienst Justitie te Brussel ten behoeve van de opgeëiste persoon de navolgende garantie gegeven: “
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.