← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:308

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 10550720 CV EXPL 23-8432 vonnis van: 23 januari 2024 fno.: 58984 vonnis van de kantonrechter I n z a k e [eiseres] wonende te [woonplaats] eisende partij nader te noemen: [eiseres] gemachtigde: mr. W. Albers t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij nader te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. R.H. Bouwman. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 25 mei 2023 met producties;- de conclusie van antwoord met producties;- het instructievonnis;- de dagbepaling mondelinge behandeling. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november

  1. [eiseres] is verschenen vergezeld door de gemachtigde. [eiseres] is verschenen, diens echtgenote [naam echtgenote] en zoon [naam zoon] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is de zaak aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald. GRONDEN VAN DE BESLISSING Feiten
  2. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast: 1.
  3. [eiseres] huurt sinds 1 april 2018 van [gedaagde] de gemeubileerde kamer met nummer [nummer] op de begane grond (door de voordeur in de hal, tweede deur links) aan de [adres] . De huurprijs bedraagt € 800,00 per maand (bestaande uit een kale huurprijs van € 515,00, een vergoeding voor gas, water en elektriciteit van € 135,00 en een vergoeding voor bijkomende levering en diensten van € 150,00). 1.
  4. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte, ROZ juli 2003 (hierna: de Algemene bepalingen) van toepassing. 1.
  5. Artikel 3.2 van de huurovereenkomst bepaalt dat de vergoeding voor bijkomende levering en diensten wordt bepaald overeenkomstig de artikelen 14.1 tot en met 14.7 van de Algemene bepalingen. Daarin is onder meer bepaald dat verhuurder jaarlijks een overzicht moet verstrekken van de kosten voor de leveringen en diensten en dat deze kosten door de huurder door middel van voorschotbetalingen worden voldaan. 1.
  6. [eiseres] heeft op 21 februari 2022 bij [gedaagde] geklaagd over gebreken in de woning, waaronder lekkages afkomstig van het bovengelegen toilet dat verstopt is, verrotte raamkozijnen en een kapotte radiator. De huurcommissie heeft op 11 juli 2022 de kale huurprijs met ingang van 1 maart 2022 tijdelijk verlaagd naar € 206,00 per maand totdat de gebreken zijn hersteld. 1.
  7. Bij vonnis van 11 april 2023 van de kantonrechter te Amsterdam is [eiseres] veroordeeld tot betaling van € 10.583,00 aan huurachterstand berekend tot en met maart
  8. Vordering
  9. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat de vergoeding voor bijkomende levering en diensten van € 150,00 per maand niet tussen partijen is overeengekomen, dan wel subsidiair dat deze vergoeding niet in relatie staat met de werkelijke kosten; [gedaagde] te veroordelen tot betaling van: - € 9.000,00 zijnde de over de periode mei 2018 tot en met mei 2023 door [eiseres] betaalde vergoeding voor bijkomende levering en diensten, vermeerderd met de wettelijke rente; - € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding voor gederfd woongenot, vermeerderd met de wettelijke rente; de betalingsverplichting van de vergoeding voor bijkomende levering en diensten te bepalen tot een bedrag van € 0,00 vanaf mei 2023; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
  10. [eiseres] stelt hiertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de huurovereenkomst niet specificeert welke bijkomende kosten voor levering en diensten (hierna: servicekosten) er in rekening kunnen worden gebracht. De servicekosten zijn hierdoor niet overeengekomen. Ook heeft [gedaagde] deze kosten niet gemaakt en heeft [eiseres] geen afrekeningen gehad. [eiseres] heeft verder recht op immateriële schadevergoeding vanwege een ernstige aantasting van haar woongenot. De kamer was niet afdoende gemeubileerd, de gemeenschappelijke ruimtes zijn erg vies en er zijn talloze gebreken in de woning. De omstandigheden zijn mensonterend en [eiseres] wordt bovendien door [gedaagde] gediscrimineerd. Verweer
  11. [gedaagde] voert, samengevat weergegeven, het volgende aan. [eiseres] is veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 10.583,
  12. Volgens [gedaagde] dient deze procedure als wisselgeld. De servicekosten zien op schoonmaakkosten, kosten voor TV en internet en door hem gemaakte parkeerkosten. Verder zijn de klachten over de gebreken achterhaald of zijn deze deels verholpen. Beoordeling Servicekosten
  13. De kantonrechter stelt voorop dat de verhuurder naast de huurprijs ook servicekosten bij de huurder in rekening kan brengen. Dit is een vergoeding voor overige zaken en diensten die geleverd worden in verband met de bewoning van de woonruimte (artikel 7:237 lid 3 BW). Het begrip ‘servicekosten’ is nader uitgewerkt in het Besluit servicekosten. Omdat de werkelijke servicekosten van tevoren niet vaststaan, is het gebruikelijk dat de verhuurder eerst een voorschot op deze kosten in rekening brengt en vervolgens aan het eind van het boekjaar een afrekening maakt. Op grond van artikel 7:259 lid 2 BW is de verhuurder verplicht om jaarlijks, uiterlijk zes maanden na het verstrijken van een kalenderjaar, een gespecificeerd overzicht van de werkelijke servicekosten te geven, waaruit tevens blijkt op welke wijze de verhuurder tot het bedrag van de afrekening is gekomen.
  14. Bij de invoering van het Besluit servicekosten heeft de minister in de Nota van toelichting onder meer het volgende geschreven: “(…) Ter uitvoering van artikel 237 lid 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wijst dit besluit zaken en diensten aan waarvoor vergoeding in ieder geval moet worden aangemerkt als servicekosten. De opsomming is niet limitatief, zodat ook vergoedingen voor andere in verband met de bewoning van de woonruimte geleverde zaken en diensten dan de in de bijlage opgesomde, als servicekosten in de zin van artikel 237 lid 3 in rekening kunnen worden gebracht. Het enkele feit dat de levering van een zaak of het verlenen van een dienst in het onderhavige besluit staat vermeld, wil overigens niet zeggen dat de levering of verlening ook daadwerkelijk in rekening kan worden gebracht. Daartoe is nodig dat de huurder met de verhuurder de levering of verlening is overeengekomen. (…)”
  15. Hieruit volgt dat een verhuurder alleen servicekosten aan de huurder in rekening kan brengen die hij met de huurder is overeengekomen. Het moet daarbij gaan om specifiek omschreven zaken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] aan deze eis niet voldaan. In de huurovereenkomst noch in de algemene voorwaarden wordt een specifieke omschrijving van de servicekosten gegeven. [gedaagde] heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat [eiseres] uitdrukkelijk heeft ingestemd met specifieke servicekosten, zoals bijvoorbeeld de door [gedaagde] ter zitting aangevoerde schoonmaakkosten en de kosten voor TV en internet. De door [gedaagde] gemaakte parkeerkosten zijn uit de aard van de zaak geen kosten gemaakt ‘in verband met de bewoning van de woonruimte’. Overigens heeft [gedaagde] ook geen facturen overgelegd waaruit volgt dat hij die kosten maakt en evenmin heeft hij jaarlijks een afrekening opgemaakt zoals artikel 7:259 lid 2 BW eist.
  16. Dit betekent dat de servicekosten niet zijn overeengekomen en dat [eiseres] maandelijks € 150,00 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald. [eiseres] heeft recht op teruggave van het door haar onverschuldigde betaalde bedrag. [eiseres] heeft dit bedrag berekend op € 9.000,00 (€ 150,00 x 60 maanden). [gedaagde] heeft dit niet weersproken zodat de vordering tot terugbetaling toewijsbaar is. Dit geldt ook voor de primair gevorderde verklaring voor recht. Schadevergoeding
  17. [eiseres] vordert immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 5.000,
  18. [eiseres] heeft deze schade onder meer gebaseerd op de aanwezigheid van gebreken in het gehuurde en de derving van huurgenot die zij daardoor heeft geleden. In verband met dergelijke gebreken en de daardoor veroorzaakte derving van huurgenot kan een verzoek bij de huurcommissie worden ingesteld tot vermindering van de huurprijs. Dit heeft [eiseres] ook gedaan. Ingevolge het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 1 oktober 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3593) is het onder omstandigheden denkbaar dat naast een aanspraak tot vermindering van de huurprijs wegens gebreken aan het gehuurde, een aanspraak kan bestaan op vergoeding van door de gebreken veroorzaakte immateriële schade. Daarvoor is noodzakelijk dat aan de strenge maatstaven van artikel 6:106 BW wordt voldaan.
  19. In artikel 6:106 BW is bepaald dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien (onder meer) de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
  20. [eiseres] heeft betoogd dat zij is aangetast in haar persoon. [eiseres] heeft ter onderbouwing diverse foto’s overgelegd waarop ernstige gebreken te zien zijn. Het blijft echter onduidelijk wanneer deze gebreken zijn ontstaan, over welke periode zij zich hebben voorgedaan en of deze al dan niet inmiddels zijn verholpen. Wel staat vast dat de huurprijs door de huurcommissie is verlaagd vanwege een lekkage, verrotte kozijnen en een kapotte radiator, maar de enkele aanwezigheid daarvan maakt nog niet dat sprake is van aantasting in de persoon. [eiseres] maakt ook melding van ratten in het gehuurde en mensonterende omstandigheden zoals uitwerpselen en lekkend rioolwater op haar bed, maar dit heeft zij niet met stukken onderbouwd. Verder heeft [eiseres] betoogd dat uit de eerder gevoerde procedure genoegzaam blijkt dat zij veelvuldig heeft geklaagd bij [gedaagde] , maar afgezien van de klacht op 21 februari 2022 is daar verder niets van gebleken. Dat [gedaagde] willens en wetens de gebreken in stand heeft gelaten, is dan ook niet komen vast te staan. [eiseres] heeft als tweede grond aangevoerd dat zij door [gedaagde] wordt geïntimideerd en bedreigd omdat zij transgender is. Nu [gedaagde] dat heeft betwist en de kantonrechter uit de stukken geen discriminatoir gedrag kan afleiden, is ook dit niet komen vast te staan.
  21. [eiseres] heeft al met al niet (voldoende) onderbouwd dat zij immateriële schade heeft geleden. De vordering met betrekking tot de immateriële schadevergoeding wordt dan ook afgewezen. Overige beslispunten
  22. De wettelijke rente over de toewijsbare hoofdsom wordt als onbetwist toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
  23. [eiseres] heeft gevorderd de betalingsverplichting van de servicekosten op nihil te stellen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, namelijk dat de verplichting tot betaling van de servicekosten niet is overeengekomen, is deze vordering niet toewijsbaar.
  24. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Partijen met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van [gedaagde] . Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Verder wordt bij de berekening van het gemachtigdensalaris aansluiting gezocht bij de toewijsbare hoofdsom. Deze vergoeding voor het salaris moet door de gemachtigde worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de gemachtigde toegekende vergoeding.
  25. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt begroot: - griffierecht € 86,00 - salaris gemachtigde € 660,00 (2,00 punten à € 330,00) totaal € 746,00
  26. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. BESLISSING De kantonrechter: verklaart voor recht dat de vergoeding voor bijkomende levering en diensten van € 150,00 per maand niet tussen partijen is overeengekomen; veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 9.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2023 tot de dag van algehele voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 746,00, voor zover van toepassing inclusief btw, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 66,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag van algehele voldoening; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.