← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:3268

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/180771-21 Datum uitspraak: 12 juni 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte D.G.] , geboren op [geboortedag ] 1999 te [geboorteplaats] ,gedetineerd in de [detentieadres] . Inhoudsopgave

  1. Algemene inleiding 1.1 De loop van het onderzoek 1.2 Het dossier waar de rechtbank bij haar beoordeling van is uitgegaan 1.3 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. Tenlastelegging
  3. Voorvragen 3.1 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 3.1.1 Anonimisering; schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens? 3.1.1.1 Standpunt van de verdediging 3.1.1.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie 3.1.1.3 Oordeel van de rechtbank 3.1.2 Onthouden van stukken 3.1.2.1 Standpunt van de verdediging 3.1.2.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie 3.1.2.3 Oordeel van de rechtbank 3.1.3 Vormverzuim in het voorbereidend onderzoek 3.2 Geldigheid van de dagvaarding 3.3 De overige voorvragen
  4. Bewijs 4.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie 4.2 Standpunt van de verdediging 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Identificatie van verdachten als gebruikers van telefoons en telefoonnummers 4.3.2 Feiten en omstandigheden 4.3.2.1 Vaststelling van de feiten en omstandigheden 4.3.2.2 De betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige 5089 4.3.3 Beoordeling van de tenlastegelegde feiten Feit 1 – de moord op Peter R. de Vries Feit 2 – het voorhanden hebben van wapens en munitie
  5. Bewezenverklaring
  6. Strafbaarheid van de feiten
  7. Strafbaarheid van de verdachte 7.1 Standpunt van de verdediging 7.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie 7.3 Oordeel van de rechtbank
  8. Motivering van de straf 8.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie 8.2 Standpunt van de verdediging 8.3 Oordeel van de rechtbank
  9. De vordering van benadeelde partij 9.1 Oordeel van de rechtbank 9.1.1 Affectieschade 9.1.2 Schokschade 9.1.3 Materiële schade 9.2 Conclusie
  10. Beslag
  11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  12. Beslissing Bijlage 1 – Lijst van processen-verbaal Bijlage 2 – Tenlastelegging Bijlage 3 – Bewijsmiddelen met betrekking tot de identificatie van verdachten als gebruikers van telefoons en telefoonnummers Bijlage 4 – Bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 1Algemene inleiding 1.1 De loop van het onderzoek 13Iraklia Op 6 juli 2021 omstreeks half 8 in de avond wordt de misdaadjournalist Peter R. de Vries in de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam neergeschoten. Door de politie eenheid Amsterdam is een onderzoek ingesteld met de naam 13Iraklia (hierna: Iraklia). Dit onderzoek richt zich op de uitvoerders van de – op dat moment nog – poging tot moord op Peter R. de Vries. Ongeveer 45 minuten na het neerschieten van Peter R. de Vries worden twee verdachten aangehouden, te weten [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] . Op 15 juli 2021 overlijdt Peter R. de Vries. [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] worden sindsdien verdacht van de moord op Peter R. de Vries. De strafzaken van [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] zijn aangevangen bij de rechtbank Amsterdam op 18 oktober
  13. Na een aantal voorbereidende zittingen heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden op de terechtzittingen van 7 en 15 juni
  14. Op 30 juni 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en heeft de rechtbank bepaald dat op 14 juli 2022 vonnis zal worden gewezen. Na de sluiting van het onderzoek heeft het Openbaar Ministerie op 5 juli 2022 een aantal nieuwe stukken aan de rechtbank gestuurd. Uit de begeleidende e-mail heeft de rechtbank afgeleid dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft zich genoodzaakt gezien het onderzoek te heropenen om de eventuele voeging van de nieuwe stukken in het dossier, en de mogelijke gevolgen daarvan, te bespreken met de verdediging en het Openbaar Ministerie. Op 11 juli 2022 heeft de rechtbank tussenvonnissen gewezen, waarin is beslist dat het onderzoek ter terechtzitting in Iraklia wordt heropend naar aanleiding van die nieuwe stukken. Op de eerstvolgende pro forma zitting van 25 augustus 2022 is de samenstelling van de rechtbank gewijzigd. Na voorafgaand informeel overleg tussen de rechtbank, de verdediging en het Openbaar Ministerie is besloten dat de rechtbank op de volgende zitting, 3 november 2022, een beslissing zal nemen over het al dan niet opnieuw aanvangen van het onderzoek in de strafzaken van [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] . De rechtbank heeft vervolgens op de regiezitting van 3 november 2022 beslist dat in de zaken van [medeverdachte K.E.] en [verdachte D.G.] het op 25 augustus 2022 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, aangezien geen sprake is van instemming van de verdediging en het Openbaar Ministerie met hervatting in gewijzigde samenstelling. 26Hendon Op 9 juli 2021 is onder leiding van de officier van justitie van het Landelijk Parket onderzoek 26Hendon (hierna: Hendon) gestart. Dit onderzoek richt zich op het opsporen en aanhouden van de vermoedelijke opdrachtgever(s), medepleger(s) dan wel medeplichtigen van de (poging tot) moord op Peter R de Vries. In het onderzoek Hendon zijn [medeverdachte K.M.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] op 4 juli 2022 aangehouden. Op 13 oktober 2022 heeft bij de rechtbank Amsterdam de eerste pro forma zitting in het onderzoek Hendon plaatsgevonden. Op die zitting is het onderzoek Hendon door een andere combinatie behandeld dan de combinatie die het onderzoek Iraklia behandelde. De verdediging van [medeverdachte K.M.] en [medeverdachte G.M.] hebben de rechtbank verzocht om te beslissen dat de onderzoeken Hendon en Iraklia gelijktijdig worden behandeld door dezelfde zittingscombinatie. De rechtbank heeft op dat moment nog geen beslissing genomen op dat verzoek, omdat zij zich hier nader over wilde beraden. Na de pro forma zitting van 13 oktober 2022 heeft het Openbaar Ministerie het dossier Iraklia toegevoegd aan het dossier Hendon. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdenkingen tegen de verdachten in zowel het onderzoek Iraklia als in het onderzoek Hendon betrekking hebben op betrokkenheid bij de dood van De Vries. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de verdenkingen tegen de verdachten, die in het onderzoek Hendon waren aangehouden, niet wezenlijk anders waren dan de verdenkingen tegen de verdachten in het onderzoek Iraklia, terwijl dat laatste onderzoek was heropend. Op 1 november 2023 heeft de rechtbank daarom beslist dat een gezamenlijke berechting van de verdachten in de onderzoeken Hendon en Iraklia, door dezelfde combinatie van zittingsrechters, in het belang van een goede rechtsbedeling is en heeft de zaken van [medeverdachte K.M.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] verwezen naar de zittingscombinatie van Iraklia. Iraklia/Hendon Op 6 januari 2023 heeft de eerste gezamenlijke zitting in de strafzaken tegen de verdachten in de onderzoeken Iraklia/Hendon plaatsgevonden. De rechtbank heeft in de zaken van [medeverdachte K.M.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] bevolen dat het ter terechtzitting van 13 oktober 2022 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, omdat de rechtbank in een andere samenstelling zitting hield, namelijk de zittingscombinatie van Iraklia. Op deze zitting is ook de strafzaak van [medeverdachte K.W.] aangevangen. De rechtbank heeft voorts beslist dat voor alle verdachten hetzelfde dossier geldt en dat alle tot op dat moment opgemaakte processen-verbaal van de terechtzittingen, zowel in Iraklia als Hendon, over en weer worden gevoegd in de zaken van alle verdachten. Voorts hebben er in onderzoek Iraklia/Hendon diverse voorbereidende zittingen plaatsgevonden. De strafzaak van [medeverdachte L.S.] is aangevangen op de zitting van 24 maart
  15. De strafzaken van [medeverdachte C.W.] en [medeverdachte D.K.] zijn op de zitting van 13 juni 2023 aangevangen. Ook in de strafzaken van [medeverdachte C.W.] , [medeverdachte D.K.] en [medeverdachte L.S.] heeft de rechtbank beslist dat voor alle verdachten hetzelfde dossier geldt en dat alle tot op dat moment opgemaakte processen-verbaal van de terechtzittingen, zowel in Iraklia als Hendon, over en weer worden gevoegd in hun zaken. 1.2 Het dossier waar de rechtbank bij haar beoordeling van is uitgegaan Het strafdossier van iedere verdachte bevat het samengevoegde dossier Iraklia/Hendon. Voorts zijn in het strafdossier van iedere verdachte tevens gevoegd alle door rechtbank opgemaakte processen-verbaal in de onderzoeken Iraklia en Hendon. Een lijst van die processen-verbaal is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. 1.3 Het onderzoek ter terechtzitting In de onderzoeken Iraklia/Hendon zijn negen verdachten aangehouden, die in beeld zijn gekomen bij het onderzoek met betrekking tot het neerschieten van Peter R. de Vries en de gebeurtenissen daaromtrent. Volgens het Openbaar Ministerie zouden onderstaande verdachten de volgende rollen hebben vervuld: [verdachte D.G.] wordt ervan verdacht de schutter te zijn geweest. [medeverdachte K.E.] wordt ervan verdacht voorverkenningen te hebben uitgevoerd en de chauffeur van de vluchtauto te zijn geweest. [medeverdachte K.M.] wordt ervan verdacht de uitvoerders van het neerschieten van Peter R. de Vries te hebben aangestuurd. [medeverdachte G.M.] wordt ervan verdacht de spotter en filmer van het slachtoffer te zijn geweest. [medeverdachte E.O.] wordt ervan verdacht de spotter en filmer van het slachtoffer te zijn geweest. [medeverdachte C.W.] wordt ervan verdacht samen met [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] een rol te hebben zullen spelen, die evenwel vanwege zijn detentie niet door kon gaan. [medeverdachte K.W.] wordt ervan verdacht zich te hebben teruggetrokken als beoogd schutter en nadien wapens en een PGP-telefoon aan de uitvoerders te hebben geleverd. [medeverdachte L.S.] wordt ervan verdacht voorverkenningen te hebben uitgevoerd en informatie te hebben gedeeld. [medeverdachte D.K.] wordt ervan verdacht de door [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] gebruikte auto te hebben geleverd. Naast een rol bij het neerschieten van Peter R. de Vries worden aan de verdachten ook andere strafbare feiten verweten. De exacte verwijten die aan iedere verdachte persoonlijk worden gemaakt zijn opgenomen in de individuele tenlasteleggingen, die steeds zijn opgenomen als bijlage bij het vonnis betreffende die verdachte. De zaken tegen alle verdachten zijn gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. Alle verdachten worden steeds aangeduid met hun achternaam. Na diverse voorbereidende zittingen heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden op de terechtzittingen van 23, 24, 30 en 31 januari, 2, 7, 8, 9, 28 en 29 februari
  16. Op 15 mei 2024 heeft er nog een zitting plaatsgevonden en op terechtzitting van 12 juni 2024 is het onderzoek gesloten, waarna direct uitspraak is gedaan. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna gezamenlijk aangeduid als de officier van justitie) en van wat [verdachte D.G.] en zijn raadslieden, mrs. R.A. van der Horst en A.N. Slijters, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de kinderen van Peter R. de Vries, bijgestaan door mr. G.J.M. van Spanje, in hun slachtofferverklaringen naar voren hebben gebracht. Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering die de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft ingediend en van wat mr. J.L. L’Homme namens haar naar voren heeft gebracht. 2Tenlastelegging Aan [verdachte D.G.] is – na wijziging op de zitting van 5 september 2023 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij:
  17. op 6 juli 2021 te Amsterdam in vereniging Peter R. de Vries heeft vermoord;
  18. op 6 juli 2021 in Nederland in vereniging een pistoolmitrailleur van het merk Heckler & Koch, type MP-5K, een getransformeerd pistool van het merk Zoraki, type 917, en munitie voorhanden heeft gehad; De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 2 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte D.G.] is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3Voorvragen 3.1 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 3.1.1 Anonimisering; schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens? 3.1.1.1 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aan de hand van (met name) jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) betoogd dat het strafproces tegen [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.M.] niet voldoet aan de elementaire vereisten voor een eerlijk proces, zoals die voortvloeien uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) omdat bijna alle getuigen anoniem zijn en de verzoeken van de verdediging tot het horen van deze belastende getuigen zijn afgewezen. Anonieme verklaringen Met een verwijzing naar uitspraken van het EHRM stelt de verdediging dat de verklaringen in het dossier van getuigen, opsporingsambtenaren en deskundigen alle gezien moeten worden als verklaringen van getuigen en daarop zijn, voor zover zij belastend zijn, de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM van toepassing. Veruit de meeste personen die voorkomen in het dossier zijn anoniem gebleven. Doordat de verdediging geen idee heeft wie deze bronnen van informatie zijn, heeft zij geen onderzoek kunnen doen naar hun betrouwbaarheid of motieven en heeft zij niet hun ervaring of deskundigheid kunnen beoordelen. Ook is zij niet in de gelegenheid geweest deze personen als getuigen te horen om hun verklaringen gemotiveerd te kunnen betwisten. Om die reden is volgens de verdediging geen sprake van een eerlijk proces en dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de strafvervolging. Daarnaast is de verdediging van mening dat de besluitvorming over het anonimiseren ook in strijd is met het recht op een eerlijk proces, wat eveneens dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Er is in deze strafzaak immers geen deugdelijke motivering gegeven voor de alomvattende anonimiteit en de beslissing daartoe is niet door een rechter genomen maar door het Openbaar Ministerie. Afgewezen verzoeken tot het ondervragen van de anonieme getuigen Uit het Keskin-arrest volgt dat het recht om belastende getuigen te ondervragen, ten aanzien van alle getuigen bestaat. Daaronder vallen ook politieambtenaren en deskundigen. Een verzoek daartoe hoeft niet te worden gemotiveerd. Uit dat arrest en andere jurisprudentie van het EHRM blijkt ook welke toets moet worden aangelegd voor het gebruik van de verklaringen van getuigen die niet door de verdediging konden worden ondervraagd. Beoordeeld moet worden

(1)of er een goede reden was om de getuige niet te horen,
(2)wat het gewicht is van de verklaring van de niet gehoorde getuige en
(3)of de verdediging voldoende gecompenseerd is voor het ontbreken van de mogelijkheid tot het ondervragen van de niet gehoorde getuige. In deze zaak is er in veel gevallen sprake van anonieme verklaringen van getuigen die zonder enige reden niet konden worden ondervraagd. Van enige compensatie is geen sprake. Omdat de verklaringen afkomstig zijn van anonieme getuigen die niet konden worden ondervraagd, kunnen deze verklaringen geen steun vinden in elkaar. Ook voor deskundigen en politieambtenaren die betrokken zijn geweest bij het opsporingsonderzoek, in het bijzonder politieambtenaren die betrokken zijn geweest bij het in beslag nemen en beschrijven van sporen, geldt dat het belang van een ondervraging van deze getuigen moet worden voorondersteld, tenzij hun verklaring evident irrelevant of overbodig is. Nu de verdediging niet de gelegenheid heeft gekregen om deze getuigen te ondervragen, kan de strafzaak tegen [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.M.] niet in een bewezenverklaring eindigen. De verdediging meent dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces als de rechtbank tot een veroordeling komt op grond van anoniem, niet kritisch getoetst, bewijsmateriaal. Primair dient dat te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, subsidiair tot bewijsuitsluiting van de niet-getoetste delen van het dossier, met vrijspraak als gevolg. 3.1.1.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft als reden voor haar werkwijze opgegeven dat de verdachten in het onderzoek Iraklia/Hendon strafbare feiten worden verweten die, door het georganiseerd verband waarin zij mogelijk zijn gepleegd, de rechtsorde ernstig kunnen ontwrichten. Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat het bekend worden van identificerende gegevens van ooggetuigen, verbalisanten, deskundigen, officieren van justitie en rechters-commissarissen in deze zaak een veiligheidsrisico voor hen oplevert waarvan zij ernstige overlast kunnen ondervinden. Ten aanzien van de professionele deelnemers die voorkomen in het procesdossier geldt dat zij door het openbaren van hun gegevens in de uitoefening van hun ambt ernstig kunnen worden belemmerd. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van schending van artikel 6 EVRM zodat het verweer van de verdediging moet worden verworpen. Anonieme verklaringen Er is geen sprake van een niet-toetsbaar dossier waardoor [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.M.] geen recht hebben gehad op een eerlijk proces. Immers, het enige dat niet getoetst kan worden, is hoe de ooggetuigen, politieambtenaren en deskundigen heten. Uit aanvullende stukken blijkt dat de verbalisanten en de deskundigen bevoegd waren. Het Openbaar Ministerie heeft verwezen naar artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in welk artikel is geregeld dat anonieme getuigenverklaringen, zij het onder voorwaarden, tot het bewijs kunnen bijdragen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de term ‘personen wier identiteit niet blijkt’, afkomstig uit artikel 344a Sv, niet omvat personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. De lijn die de verdediging probeert te trekken tussen de jurisprudentie waarnaar zij heeft verwezen en de situatie waarvan in de onderhavige zaak sprake is geweest, gaat daarom volgens het Openbaar Ministerie niet op. Afgewezen verzoeken tot het ondervragen van de getuigen De stelling van de verdediging, inhoudende dat het toetsingskader dat volgt uit het Keskin-arrest ook geldt ten aanzien van processen-verbaal die zijn opgemaakt door politieambtenaren en rapporten die zijn opgemaakt door deskundigen, vindt geen steun in het recht. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen belastende getuigen enerzijds en opgemaakte processen-verbaal van politieambtenaren en rapporten van deskundigen anderzijds. In het laatste geval is een inhoudelijke motivering van het verzoek tot ondervraging van de verdediging vereist, die tot op heden niet is gegeven. Verwezen wordt naar een post-Keskin arrest van de Hoge Raad van 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198. Ten aanzien van de ooggetuigen die belastend hebben verklaard, is het toetsingskader dat volgt uit het Keskin-arrest wel van toepassing, maar geldt in deze zaak dat hun verklaringen niet “to a decisive extent” bijdragen aan een eventuele veroordeling. Deze verklaringen zijn door het Openbaar Ministerie ook niet gebruikt als bewijsmiddel. 3.1.1.3 Oordeel van de rechtbank A. Inleiding Het Openbaar Ministerie heeft aanvankelijk bij het samenstellen van het dossier in het onderzoek Iraklia – in de directe schok na de moord op Peter R. de Vries – de keuze gemaakt om alle namen en identificerende gegevens van de in het dossier voorkomende personen niet op te nemen, maar nummers toe te kennen aan ooggetuigen, verbalisanten, deskundigen, officieren van justitie en andere betrokkenen. Ook de rechters-commissarissen hebben hun werkzaamheden onder nummer verricht. Bij het samenstellen van het dossier Hendon is deze werkwijze voortgezet, met uitzondering van een aantal getuigen die wél met naam en toenaam zijn opgenomen in het dossier. Deze getuigen zijn, voor zover daarom is verzocht, gehoord door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging, die ook zelf de getuigen heeft kunnen bevragen. Naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank van 11 maart 2022 in de strafzaken tegen de verdachten in onderzoek Iraklia zijn er diverse stukken aan het dossier toegevoegd betreffende de vermelding onder nummer van diverse personen in het dossier, te weten: Ten aanzien van ooggetuigen op de plaats delict Voor deze ooggetuigen geldt dat in het relaas van het dossier wordt gesteld dat, gelet op de gevaarzetting, is besloten om aan getuigen binnen het onderzoek (zoveel mogelijk) een nummer toe te kennen en de verklaring in voorkomende gevallen zodanig te anonimiseren dat de identiteit en/of de verblijfplaats van deze getuigen zo mogelijk niet herleidbaar zijn. Ten behoeve van deze afscherming van de identiteit is een getuigenbestand aangemaakt, dat is opgeslagen bij het onderzoeksteam. Deze stelling wordt ondersteund door in elk geval het proces-verbaal van bevindingen op pagina 4 0015 van het dossier Iraklia waaruit blijkt dat verbalisant AML50603 de gegevens van de getuige met wie is gesproken doorgeeft aan een collega, die een logboek bijhoudt. Daarnaast volgt uit de brief die het Openbaar Ministerie op 18 november 2021 aan de rechtbank en de verdediging heeft verzonden dat de gegevens van de getuigen bekend zijn bij de politie. Ten aanzien van politieambtenaren Voor de politieambtenaren geldt dat de rechtbank de officier van justitie opdracht heeft gegeven om een proces-verbaal van de daartoe meest geëigende leidinggevende van de politie aan het dossier toe te voegen. Uit dat proces-verbaal diende te blijken of alle in het dossier onder nummer voorkomende politieambtenaren bevoegde politieambtenaren zijn, tot welk politieonderdeel zij behoren en wat hun rang is. De officier van justitie heeft op 14 april 2022 een proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2022 aan het dossier toegevoegd. Dit proces-verbaal is opgemaakt door [betrokkene 1] , hoofdcommissaris van Politie en korpschef van de Eenheid Amsterdam. Als bijlage aan het proces-verbaal is een bestand gevoegd waarin alle unieke nummers van de in het dossier voorkomende politieambtenaren zijn opgenomen. Hoofdcommissaris [betrokkene 1] heeft geverbaliseerd dat alle unieke nummers zijn geverifieerd en dat deze politieambtenaren daadwerkelijk de door hen genoemde functie bekleden en bevoegd zijn de bevoegdheden toe te passen zoals genoemd in de door hen opgemaakte processen-verbaal. De officier van justitie heeft op 21 februari 2024 een proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2024 aan het dossier toegevoegd. Dit proces-verbaal is opgemaakt door [betrokkene 2] , Commissaris van Politie werkzaam bij de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies, Leiding Dienst Landelijke Recherche. Als bijlage aan het proces-verbaal is een bestand gevoegd waarin alle unieke nummers van de in het dossier Hendon voorkomende politieambtenaren zijn opgenomen. Commissaris [betrokkene 2] heeft geverbaliseerd dat alle unieke nummers zijn geverifieerd en dat deze politieambtenaren daadwerkelijk de door hen genoemde functie bekleden en bevoegd zijn de bevoegdheden toe te passen zoals genoemd in de door hen opgemaakte processen-verbaal. Ten aanzien van de deskundigen Voor de deskundigen geldt dat de rechtbank de officier van justitie opdracht heeft gegeven om de benoemingsbesluiten van alle deskundigen aan het dossier toe te voegen en, voor zover de benoemingen waren gedaan door een officier van justitie en voor zover dat niet uit het benoemingsbesluit bleek, diende de officier van justitie, per betreffende deskundige, aanvullend te relateren of deze stond ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Voorts heeft de rechtbank op 11 maart 2022 beslist dat, van de deskundigen die niet zijn ingeschreven in het NRGD en die door de rechter-commissaris zijn benoemd, de onderliggende motivering voor de benoeming van de betreffende deskundige door de rechter-commissaris aan het dossier diende te worden toegevoegd. De officier van justitie heeft op 14 april 2022 een proces-verbaal van bevindingen van diezelfde datum aan het dossier toegevoegd. In dat proces-verbaal zijn alle deskundigenrapporten en/of -verslagen in een overzicht geplaatst. In dit overzicht wordt onder andere melding gemaakt van: het nummer van de betreffende deskundige, voor zover het rapport of verslag op nummer is opgemaakt; een verwijzing naar een brief van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 12 april 2022, het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) van 11 april 2022 of het Maastrichts Universiteit Medisch Centrum (MUMC) van 13 april 2022, waarin het deskundigheidsgebied van de deskundige, het nummer waaronder de betreffende deskundige het rapport en/of verslag heeft opgemaakt en de benoemingsdatum zijn vermeld en welke deskundige door de rechter-commissaris is benoemd. Voor deze laatste categorie geldt dat het nummer waaronder deze deskundigen hebben gerapporteerd is vermeld in het desbetreffende benoemingsbesluit van de rechter-commissaris. Aan het dossier zijn ook de benoemingsbesluiten toegevoegd en de vermelde brieven van het NFI, LUMC en MUMC. Ten aanzien van de officieren van justitie Voor de officieren van justitie van het Parket Amsterdam geldt dat de rechtbank de officier van justitie opdracht heeft gegeven om een proces-verbaal op naam van een door het Openbaar Ministerie aan te wijzen officier van justitie aan het dossier toe te voegen. Uit dat proces-verbaal diende te blijken of alle in het dossier voorkomende officieren van justitie, te individualiseren door middel van hun toegewezen nummer of het paginanummer, daadwerkelijk die hoedanigheid bezitten. De officier van justitie heeft op 14 april 2022 een proces-verbaal van bevindingen van diezelfde datum aan het dossier toegevoegd. Dit proces-verbaal is opgemaakt door mr. [betrokkene 3] , hoofdofficier van justitie. Hoofdofficier van justitie [betrokkene 3] heeft geverbaliseerd dat alle nummers die in het dossier worden verbonden aan een officier van justitie toebehoren aan arrondissementsofficieren van het parket in Amsterdam die bevoegd waren leiding te geven aan het onderzoek en om de verdachten in het onderzoek te vervolgen. Dit geldt ook voor een officier van justitie wiens naam in het verslag van binnentreden in de woning aan de [adres] is gewit. Ten aanzien van de officieren van justitie van het Landelijk Parket is niet betwist dat zij als zodanig werkzaam zijn Ten aanzien van de rechters-commissarissen Voor de rechters-commissarissen geldt dat de rechtbank de officier van justitie opdracht heeft gegeven om een proces-verbaal op naam van een daartoe geëigende rechter binnen de rechtbank Amsterdam aan het dossier toe te voegen. Uit dat proces-verbaal diende te blijken of alle in het dossier voorkomende rechters-commissarissen, te individualiseren door middel van hun toegewezen nummer of het paginanummer, daadwerkelijk die hoedanigheid bezitten en dat zij geen deel uitmaken van de zittingscombinatie. De officier van justitie heeft op 14 april 2022 een proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2022 aan het dossier toegevoegd. Dit proces-verbaal is opgemaakt door mr. [betrokkene 4] , coördinerend rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam. Coördinerend rechter-commissaris [betrokkene 4] heeft geverbaliseerd dat alle nummers die in het dossier worden verbonden aan een rechter-commissaris toebehoren aan rechter-commissarissen belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Amsterdam. Voorts maken zij geen deel uit van de zittingscombinatie die oordeelt over de zaken van de verdachten in het onderzoek Iraklia. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de jongste rechter, die thans mede over de zaak beslist, geen rechter-commissaris (in deze onderzoeken) is geweest. De dossiers van Iraklia en Hendon zijn gevoegd, zodat bovengenoemde stukken deel uitmaken van het integrale dossier. B. Anonimiteit? Wat betreft het eerste onderdeel van het betoog van de verdediging, de gestelde anonimiteit van de in het strafdossier voorkomende personen, overweegt de rechtbank als volgt. Geanonimiseerd en herleidbaar dossier Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een anoniem, en dus niet-toetsbaar strafdossier. In artikel 344a lid 1 Sv staat: “Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt”. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad, die ziet op artikel 344a Sv, volgt dat onder ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ niet valt “een persoon wiens persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin zijn verklaring is opgenomen, maar van wie vaststaat dat hij wel zodanig kan worden geïndividualiseerd, zodat de verdediging zijn verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken”. Naar het oordeel van de rechtbank vallen hier alle personen onder die, onder vermelding van een nummer, in het dossier voorkomen (ooggetuigen, politieambtenaren, deskundigen, officieren van justitie en rechter-commissarissen). Zij kunnen immers via de hiervoor beschreven, aan het dossier toegevoegde stukken, allen worden geïndividualiseerd. Het dossier is niet anoniem, maar geanonimiseerd en toetsbaar voor de verdediging. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op hierboven beschreven aanvullingen op het dossier, er geen sprake is van anonieme verklaringen zoals bedoeld in artikel 344a Sv. Hoewel de persoonsgegevens van vele personen in het dossier, niet in het dossier zijn opgenomen, stelt de rechtbank vast dat alle personen die in het dossier voorkomen kunnen worden geïndividualiseerd. De verdediging stelt zich op het standpunt dat zij ook belang heeft bij het openbaren van de namen om zo te kunnen onderzoeken of de getuigen die in het dossier voorkomen bevooroordeeld zijn. Ten aanzien van de ooggetuigen op de plaats delict heeft te gelden dat de rechtbank geen gebruik maakt van deze verklaringen, zodat aan de vraag of zij bevooroordeeld zijn niet wordt toegekomen. De processen-verbaal van politieambtenaren zijn te onderscheiden in enerzijds die aangaande (technische) bevindingen, zoals bijvoorbeeld het aantreffen van wapens en andere goederen, het in beslag nemen en uitkijken van camerabeelden, het uitluisteren en optekenen van telefoongesprekken en tekstberichten en het verhoren van getuigen en anderzijds die waarin interpretaties en duidingen van politieambtenaren van de onderzoeksresultaten zijn opgenomen. Van laatstgenoemde processen-verbaal maakt de rechtbank geen gebruik, zij trekt haar eigen conclusies op basis van de relevante stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting. Met betrekking tot de eerstgenoemde processen-verbaal is niet aangevoerd dat sprake zou zijn van bevooroordeeldheid bij de opstellers ervan. Voorts is er geen enkele aanwijzing aangetroffen dat sprake zou zijn van bevooroordeeldheid. Wat de deskundigen betreft zijn alle in dit procesdossier voorkomende deskundigen ofwel opgenomen in het NRGD ofwel zijn zij bij hun benoeming door de rechter-commissaris verplicht de Gedragscode NRGD in acht te nemen. Op basis daarvan worden zij geacht onpartijdig, onbevooroordeeld en niet vooringenomen te zijn. Ook wordt conform die Gedragscode verondersteld dat zij iedere schijn van belangenverstrengeling vermijden en dat zij hun opdrachtgever zo spoedig mogelijk informeren als sprake kan zijn van de schijn van belangenverstrengeling. De enkele stelling van de verdediging dat de deskundigen zonder toetsing van hun persoonsgegevens door de verdediging niet kunnen worden aangemerkt als neutrale en onafhankelijke deskundigen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de integriteit van de rapportages van de deskundigen. Ook overigens is niet gebleken dat de deskundigen partijdig, bevooroordeeld, vooringenomen zijn of dat sprake is van belangenverstrengeling. Ook het standpunt van de verdediging dat enkel een rechter had mogen beslissen over de door het Openbaar Ministerie gehanteerde werkwijze, wordt niet gevolgd nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van anonieme verklaringen van de getuigen. Daarbij komt dat de rechtbank heeft gewaarborgd dat de verdediging haar rechten kon uitoefenen doordat zij het Openbaar Ministerie opdracht heeft gegeven zodanige identificerende gegevens aan het dossier toe te voegen, waaruit volgt dat alle opstellers van processen-verbaal en deskundigenrapportages individualiseerbaar zijn én over de benodigde bevoegdheid beschikken. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt op het punt van het niet vermelden van namen van personen in het dossier tot het oordeel dat er geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging op dit punt. C. Afgewezen verzoeken tot het ondervragen van getuigen in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens De verdediging heeft betoogd, met een beroep op rechtspraak van het EHRM, dat er geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM omdat zij niet de mogelijkheid heeft gehad het ondervragingsrecht uit te oefenen. Ook om die reden dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden. Onder 3.1.1.3 heeft de rechtbank overwogen dat alle in het dossier voorkomende personen op enige wijze kunnen worden geïndividualiseerd. Dit brengt mee dat de verdediging in beginsel haar ondervragingsrecht kan uitoefenen. De verdediging heeft op 19 januari 2022 verzocht een reeks van 88 personen (ooggetuigen, politieambtenaren en deskundigen) als getuige te doen horen en dat verzoek herhaald op de zitting van 5 september 2023 voor zowel [verdachte D.G.] als [medeverdachte K.M.] , waarbij is opgemerkt “dat niet wordt verzocht om het horen van nieuwe anonieme getuigen of deskundigen uit het dossier 26Hendon, omdat de verdenking ten aanzien van [medeverdachte K.M.] met name wordt gestoeld op informatie afkomstig uit telecomgegevens.” De rechtbank heeft de verzoeken van de verdediging bij beslissing van 15 september 2023 afgewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen: “Deskundigen De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdediging de deskundigen moet kunnen ondervragen. Voor benoemde deskundigen geldt dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de regels die zijn geformuleerd in het post-Keskin-arrest niet onverkort van toepassing zijn op het verzoek om hen als getuigen te horen. Dit betekent dat in de regel van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere deskundige motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak, uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv, te nemen beslissing. Dat brengt met zich mee dat door de verdediging moet worden toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil (doen) toetsen door middel van het horen van de deskundige. Daarbij kan van belang zijn dat de verdediging ook toelicht waarom daarvoor het oproepen en horen van de deskundige nodig is en niet een andere wijze van toetsing in aanmerking komt. Het vorenstaande geldt ook voor zover het verzoek betrekking heeft op het horen als getuige van opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist. De verdediging van [verdachte D.G.] heeft enkel als reden voor het horen van de deskundigen aangevoerd dat zij hun deskundigheid wil kunnen beoordelen en dat de inhoud van de rapporten wordt betwist. Met de hiervoor genoemde aanvulling van het dossier kan de verdediging de deskundigheid van de deskundigen beoordelen en is het horen van hen daarvoor niet nodig. Met de enkele algemene betwisting van de inhoud van de deskundigenrapporten heeft de verdediging onvoldoende gemotiveerd waarom het horen van de deskundigen voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing van belang is. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot het horen van de deskundigen en de opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht af. Getuigen De volgende vraag is of de door de verdediging vermelde getuigen moeten worden gehoord. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het verzoek om verbalisanten (voor zover die als getuigen moeten worden aangemerkt en niet als ‘deskundigen’ in de hiervoor bedoelde zin) en overige getuigen te horen moet worden beoordeeld aan de hand van het kader zoals dit volgt uit het Keskin-arrest en uit de door de Hoge Raad na dit arrest gewezen arresten. De rechtbank stelt echter voorop dat de gestelde noodzaak om getuigen te horen, gelegen in de anonimisering van het procesdossier, niet meer aanwezig is waar het de verbalisanten betreft. Door voeging van het proces-verbaal van bevindingen van een bevoegde politieambtenaar, met vermelding van eigen naam en hoedanigheid, waarin alle verbalisanten die onder nummer voorkomen in het onderzoek Iraklia zijn geverifieerd en waaruit is gebleken dat alle genoemde verbalisanten daadwerkelijk de genoemde functie bekleden en bevoegd zijn de bevoegdheden toe te passen, wordt, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende tegemoet gekomen aan de wens van de verdediging om een en ander te kunnen controleren. Ondanks dat enige toelichting en concretisering van de zijde van de verdediging daarover ontbreekt, kan met de verdediging onder toepassing van de Keskin-jurisprudentie worden aangenomen dat, in elk geval, één of meer gevraagde getuige(
  1. n)een verklaring met een voor verdachte [verdachte D.G.] belastend karakter heeft gegeven, terwijl de verdediging die getuige(
  2. n)nog niet heeft kunnen ondervragen. Dat betekent dat het belang voor het horen van deze getuige(
  3. n)moet worden voorondersteld. Dat betekent echter niet dat alle door de verdediging genoemde getuigen moeten worden gehoord. Het staat de rechter in de loop van het strafproces immers vrij om bij het nemen van de beslissing om een getuige te doen horen, zich al een voorlopig oordeel te vormen over het vermoedelijke of mogelijke gewicht van de reeds door de getuige afgelegde verklaring, in het licht van wat uit de overige processtukken blijkt, waaronder bijvoorbeeld de camerabeelden (waarvan de waardering is voorbehouden aan de rechter) en gelet op de beschuldiging die door het Openbaar Ministerie in de strafzaak centraal wordt gesteld. Gelet op de stand waarin het onderzoek zich bevindt, is de rechtbank voorlopig van oordeel dat vooralsnog onvoldoende grond bestaat voor toewijzing van de verzoeken. Daarbij komt – ten overvloede – dat de verdediging, hoewel daartoe niet verplicht, geen aanduiding heeft gegeven van de door verdachte betwiste onderdelen van die verklaringen en in samenhang daarmee van de onderwerpen waarover zij de getuigen wenst te bevragen. Het geven van zo’n toelichting kan bijvoorbeeld van betekenis zijn voor de beoordeling als het verzoek betrekking heeft op een groot aantal getuigen, zoals thans het geval is. Dit betekent dat de verzoeken om de verbalisanten en overige getuigen te horen, worden afgewezen.” De rechtbank ziet, hoewel daartoe nogmaals uitgenodigd door de verdediging, geen aanleiding om thans anders te beslissen ten aanzien van het horen van de verzochte getuigen (ooggetuigen, politieambtenaren, deskundigen) en blijft bij haar eerdere beslissing. Ten aanzien van de ooggetuigen op de plaats delict geldt dat de rechtbank van die verklaringen geen gebruik maakt. Ondanks dat al in de beslissing van 15 september 2023 is overwogen dat het verzoek tot het horen van deskundigen en politieambtenaren die technisch onderzoek hebben verricht dient te worden gemotiveerd, is een dergelijke motivering aan de zijde van de verdediging achterwege gebleven. De rechtbank ziet alleen al daarom geen aanleiding ten aanzien van deze getuigen af te wijken van haar eerdere beslissing. D. Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure In de rechtspraak van het EHRM is meermalen de vraag beantwoord of, in die gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Daarbij is het volgende van belang: de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt; het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit; en het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Wat de ooggetuigen betreft zal de rechtbank, nog los van het geringe gewicht van die verklaringen in het licht van het door de rechtbank te gebruiken bewijsmateriaal, geen gebruikmaken van de verklaringen die door hen zijn afgelegd, zodat er ten aanzien van het niet kunnen ondervragen door de verdediging van die getuigen geen schending is van artikel 6 EVRM. Wat de politieambtenaren betreft zal de rechtbank slechts gebruikmaken van (technische) onderzoeksbevindingen van verbalisanten zoals bijvoorbeeld het aantreffen van wapens en andere goederen, het in beslag nemen en uitkijken van camerabeelden en het uitluisteren en optekenen van telefoongesprekken en tekstberichten. Naar het oordeel van de rechtbank is het gewicht van deze bevindingen, mede in het licht van het overige door de rechtbank te gebruiken bewijsmateriaal zoals de camerabeelden, niet zodanig dat een bewezenverklaring in beslissende mate steun vindt in die bevindingen. Bovendien geldt hetgeen hierna wordt overwogen ook ten aanzien van deze getuigen. De rechtbank heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van de niet-ondervraagde politieambtenaren en deskundigen zorgvuldig onderzocht in samenhang met het overige bewijsmateriaal. De verdediging heeft de betrouwbaarheid van die verklaringen enkel in zijn algemeenheid, en niet concreet betwist en – zoals wél is vereist – nagelaten te motiveren waarom het horen van deze getuigen nodig was. Dit betekent dat het verwijt, dat de verdediging de politieambtenaren en deskundigen niet heeft kunnen ondervragen, feitelijke en juridische grondslag ontbeert. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat de verdediging onder meer gelegenheid heeft gehad om diverse andere getuigen bij de rechter-commissaris te horen, dat er op haar verzoek nadere rapportages door deskundigen zijn uitgebracht, dat zij technisch onderzoeksmateriaal heeft kunnen doornemen en beoordelen en dat er op haar verzoek stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Al met al leidt al hetgeen hiervoor is overwogen dat de rechtbank van oordeel is dat het strafproces als ‘overall fair’ is aan te merken. E. Conclusie Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er op dit onderdeel geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM. De waarborgen voor een eerlijk proces, die voortvloeien uit dit artikel, zijn voldoende in acht genomen. Dit betekent dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. 3.1.2 Onthouden van stukken / geen inzage in volledige onderzoeksdossier 3.1.2.1 Standpunt van de verdediging De rechtbank en de verdediging worden niet volledig geïnformeerd over de beschikbare onderzoeksresultaten, waardoor er geen volledig beeld wordt verkregen over de uitvoering en vooral de aansturing van de moord op Peter R. de Vries. Voor de vragen die op grond van artikel 350 Sv moeten worden beantwoord, is een volledig beeld noodzakelijk. In de wet en in Nederlandse en Europese rechtspraak is bepaald dat tot de processtukken in beginsel alle stukken behoren die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het Openbaar Ministerie verdeelt bevindingen over verschillende onderzoeken in het land en deelt de gegevens die worden verkregen in het nog lopende onderzoek naar de mogelijke opdrachtgevers van de moord op Peter R. de Vries niet. Ook uit de verkregen machtiging ex artikel 149b Sv, waarin de rechter-commissaris heeft goedgevonden dat in het onderzoek Hendon bepaalde gegevens worden onthouden en niet zullen worden geopenbaard, blijkt dat er relevante informatie wordt achtergehouden. Een en ander is niet in overeenstemming met artikel 6 EVRM. De verdediging verzoekt daarom primair om alsnog inzage te verkrijgen in het volledige onderzoeksdossier. Subsidiair meent zij dat het gebrek aan het verstrekken van informatie in samenhang bezien met de vergaande anonimisering van het dossier er toe leidt dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden, waardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. 3.1.2.2 Standpunt van het Openbaar Ministerie Verzoeken om inzage in onderzoeksbevindingen dienen behoorlijk gemotiveerd te worden en het stellen van nadere eisen aan de onderbouwing van een verzoek om inzage is niet in strijd met artikel 6 EVRM. De verdediging heeft in de strafzaak tegen [medeverdachte K.M.] al eerder een verzoek om inzage gedaan. Dat is afgewezen door de rechtbank bij haar beslissing van 26 juni 2023. In de zaak tegen [verdachte D.G.] is het verzoek niet herhaald na het opnieuw aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting. Het onderzoek naar het hogere echelon van de organisatie achter de moord op Peter R. de Vries loopt door en een zeer zwaarwegend onderzoeksbelang en daarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang staat in de weg aan het verlenen van inzage. Dat [medeverdachte K.M.] in verschillende strafrechtelijke onderzoeken voorkomt is geen kwestie van ‘forumshoppen’ en die onderzoeken hangen niet samen met de moord op Peter R. de Vries. De verdediging laat na te specificeren welke informatie er gevoegd zou moeten worden en waarom deze relevant zou zijn voor enige te nemen beslissing in de zaak tegen [medeverdachte K.M.] , terwijl dat wel op haar weg ligt. Dat de machtiging tot onthouding van stukken in strijd zou zijn met het EVRM, omdat de verdediging niet is gehoord, gaat niet op. Het recht op kennisneming van stukken is niet absoluut en kan door de nationale rechter worden beperkt vanwege zwaarwegende belangen, waarbij de te volgen procedure voldoende compensatie moet bieden voor de beperking van de rechten van de verdediging. De regeling ex artikel 149b Sv voldoet aan deze vereisten. In het arrest Snijders tegen Nederland heeft het EHRM onlangs nog geoordeeld dat de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter-commissaris een belangrijke procedurele waarborg biedt voor de eerlijkheid van een procedure. Dit alles betekent dat er geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM. 3.1.2.3 Oordeel van de rechtbank Verzoek inzage in onderzoeksdossier Ingevolge artikel 149a Sv is de officier van justitie tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van het dossier. Als processtukken worden aangemerkt alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang zijn. Dit relevantiecriterium wordt in de jurisprudentie zo uitgelegd dat het gaat om de relevantie voor de door de rechter op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is de zittingsrechter verantwoordelijk voor de samenstelling van het dossier en het verlenen van inzage in (proces)stukken. Het verzoek van de verdediging om ‘inzage in het volledige onderzoeksdossier’ houdt geen concreet verzoek om voeging van een processtuk in, maar komt neer op een onbeperkte toegang tot alle informatie die in het opsporingsonderzoek dan wel opsporingsonderzoeken naar de dood van Peter R. de Vries is verzameld. Naar de rechtbank begrijpt is het verzoek gegrond op artikel 328 Sv. De rechtbank heeft een eerder, ter zitting van 13 juni 2023 gedaan, identiek verzoek afgewezen en ziet in hetgeen door de verdediging thans is aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Die beslissing van 26 juni 2023 luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…) Het toetsingskader Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, ingevolge artikel 315 lid 1 Sv, de maatstaf bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 328 Sv is of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van een beslissing hierover dient de rechter in aanmerking te nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd, die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Bepalend is dus niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen. Mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier, kan de verdediging een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Tijdens het vooronderzoek kan een dergelijk verzoek worden gedaan overeenkomstig de in artikel 34 leden 2-4 Sv geregelde procedure. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting beslist de zittingsrechter – zo nodig op basis van de bevindingen van nader onderzoek dat door een ander dan de zittingsrechter, bijvoorbeeld de rechter-commissaris, is verricht naar de aard en de inhoud van de betreffende stukken en gegevens – of en zo ja, in welke mate en op welke wijze, die inzage kan worden toegestaan. Dat een verzoek tot inzage in onderzoeksbevindingen behoorlijk dient te worden gemotiveerd, volgt ook uit de wetsgeschiedenis van – het van overeenkomstige toepassing zijnde – artikel 34 Sv. Hieruit volgt dat de bevoegdheid van de verdediging om een verzoek te doen tot voeging van stukken niet betekent dat de verdachte zich met allerlei onbestemde en open verzoeken tot de officier van justitie kan richten. Het moet steeds gaan om nauwkeurig omschreven stukken, het verzoek dient schriftelijk te worden gedaan en te zijn voorzien van een motivering waaruit de relevantie voor de desbetreffende strafzaak blijkt. Verder volgt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het in artikel 6 EVRM vervatte beginsel van ‘equality of arms’ niet met zich meebrengt dat een verdachte een absoluut recht heeft om kennis te nemen van relevant bewijsmateriaal. Het belang van de verdediging tot kennisneming van stukken kan worden afgewogen tegen andere belangen, zoals die van nationale veiligheid, bescherming van getuigen en geheimhouding van opsporingsmethoden. De beoordeling van het verzoek Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzoeken van de verdediging dienen te worden afgewezen. De verzoeken van de verdediging tot inzage in de integrale onderzoeksdossiers zijn onvoldoende concreet en zien niet op specifiek omschreven stukken, zodat de relevantie van die stukken onvoldoende is onderbouwd en de rechtbank de noodzaak tot inzage van die stukken niet is gebleken.(…)” De rechter-commissaris heeft op 27 juli 2023 de officier van justitie in het onderzoek Iraklia/Hendon machtiging verleend tot het achterwege laten van voeging bij de processtukken van de in de vordering tot machtiging benoemde (gedeelten van) stukken en het proces-verbaal van 25 juli 2023 met inbegrip van de bijlagen daarbij. Op de terechtzitting van 5 september 2023 heeft de verdediging via de rechtbank aan het Openbaar Ministerie verzocht of de noodzaak tot onthouding van die stukken nog steeds bestond. Deze vraag is door het Openbaar Ministerie bevestigend beantwoord en het Openbaar Ministerie is daar tot op heden niet op terug gekomen. De opmerkingen van de verdediging hierover bij pleidooi bevatten geen verzoek aan de rechtbank op de voet van artikel 315 Sv, zodat op dit punt geen te nemen beslissing voorligt. Schending van het recht op een eerlijk proces? Zoals hiervoor is overwogen vindt de rechtbank dat de verdediging geen aanspraak heeft op inzage in het volledige onderzoeksdossier en dat daarmee artikel 6 EVRM niet wordt geschonden. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat de procedure rond het achterwege laten van voeging van stukken als neergelegd in artikel 149b Sv in strijd is met artikel 6 EVRM, wordt dat verweer verworpen. De rechter-commissaris voert, zoals ook door het EHRM is overwogen in de genoemde uitspraak Snijders tegen Nederland van 6 februari 2024, zijn werkzaamheden onafhankelijk en onpartijdig uit. Hij heeft op basis van hetgeen door het Openbaar Ministerie is aangevoerd en met kennisname van de volledige inhoud van de stukken, geoordeeld dat de machtiging ten aanzien van die stukken moest worden verleend vanwege een zwaarwegend onderzoeksbelang. Het is inherent aan de aard van de vordering dat de verdediging geen kennis kan nemen van de volledige inhoud van de stukken en zich daarover dus ook niet kan uitlaten. Immers zou dan moeten worden onthuld wat juist geheim moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende procedurele waarborgen zijn geboden om tegenwicht te bieden aan de omstandigheid dat de verdediging niet is gehoord voorafgaand aan de beslissing van de rechter-commissaris. Ook op dit onderdeel stelt de rechtbank geen schending van artikel 6 EVRM vast. 3.1.3 Vormverzuim in het voorbereidend onderzoek Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. In de zaak van [verdachte D.G.] zijn namelijk door de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens gevorderd in de zin van artikel 126n lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zonder dat daaraan voorafgaand een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris is gevorderd en verkregen, hetgeen wel vereist is blijkens het door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 2 maart 2021 gewezen Prokuratuur-arrest en het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2022. Door de verdediging is geen verweer gevoerd met betrekking tot het vormverzuim. De rechtbank constateert dat er gevorderde verkeers- en locatiegegevens zijn verkregen zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, hetgeen niet in overeenstemming is met het Unierecht. Daarmee is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Met die constatering rijst de vraag of aan het vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg. Bij de beantwoording daarvan houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daarmee wordt veroorzaakt. Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van de gebruiker van telecommunicatie. Door de onrechtmatige verkrijging is weliswaar een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gemaakt in die zin dat zicht is verkregen op de telefoonnummers waarmee de verdachte/de gebruiker gedurende een bepaalde periode verbinding heeft gehad, de datum, het tijdstip en de duur daarvan en de daarbij gebruikte zendmasten, maar de onrechtmatige verkrijging heeft er niet toe geleid dat politie of justitie kennis hebben kunnen nemen van de inhoud van de door de verdachte/de gebruiker gevoerde gesprekken. Daarmee is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van relatief beperkte omvang. Wat de ernst van het verzuim betreft, geldt dat het Openbaar Ministerie de toen geldende voorschriften uit het Wetboek van Strafvordering heeft gevolgd. Bovendien weegt de rechtbank mee dat het ging om een verdenking van een zeer ernstig feit en het daarom aannemelijk is dat de rechter-commissaris toestemming zou hebben gegeven voor het doen van deze vorderingen, indien deze was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen. De rechtbank neemt ook in overweging dat door de verdediging niet is gesteld dat [verdachte D.G.] enig nadeel heeft ondervonden ten gevolge van het vormverzuim. Nu niet meer dan een geringe inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verdachte D.G.] kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim. Samengevat komt de rechtbank tot het oordeel dat de verweren, zoals besproken, worden verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de strafvervolging en er bestaan geen redenen tot integrale bewijsuitsluiting. 3.2 De overige voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 tenlastegelegde medeplegen van de moord op Peter R. de Vries en het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van wapens en munitie kunnen worden bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 geen bewijsverweer gevoerd en heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Identificatie van verdachten als gebruikers van telefoons en telefoonnummers In het dossier komen veel verschillende telefoons en telefoonnummers voor. De rechtbank zal in deze paragraaf uiteenzetten, mede ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis, welke telefoons en telefoonnummers in gebruik waren bij de verschillende verdachten. De bewijsmiddelen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, zijn opgenomen in bijlage 3. [verdachte D.G.] +31687576769 Op grond van de volgende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verdachte D.G.] gedurende de periode van 17 juni 2021 tot en met 6 juli 2021 de gebruiker is geweest van telefoonnummer +31687576769 en het toestel Samsung met IMEI-nummers 352287560114255 en 355811960114255. De Samsung telefoon is aangetroffen in de Renault Kadjar voorzien van kenteken [kenteken] (hierna aangeduid als: de Renault Kadjar), de auto waarin [verdachte D.G.] als bijrijder zat toen hij op 6 juli 2021 werd aangehouden. De telefoon was voorzien van een simkaart met telefoonnummer +31687576769. Uit de historische gegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat het telefoonnummer vanaf 17 juni 2021 tot en met 6 juli 2021 actief is geweest in het mobiele netwerk en dat het nummer gedurende die periode gekoppeld is geweest aan de Samsung telefoon. In die periode heeft het telefoonnummer het meest gebruik gemaakt van een zendmast die dekking geeft aan het feitelijke verblijfadres van [verdachte D.G.] op het adres [adres] . Tijdens de doorzoeking van die woning is een aankoopbon van de Samsung telefoon aangetroffen waarop te zien is dat de telefoon op 17 juni 2021 is aangekocht. Ook blijkt uit de historische gegevens dat het nummer contact en/of pogingen daartoe heeft gehad met een telefoonnummer dat op naam van de moeder van de vriendin van [verdachte D.G.] staat. Matrix id-nummer 661441212 In de Renault Kadjar, de auto waarin [verdachte D.G.] als bijrijder zat toen hij op 6 juli 2021 werd aangehouden, is in de middenconsole een Google Pixel telefoon aangetroffen. Het IMEI-nummer dat bij het toestel hoort is 359678093346740. De data van de telefoon bleken versleuteld te zijn middels Pretty Good Privacy-software van chatapplicatie Matrix. De telefoon is door het NFI ontsleuteld en hieruit bleek dat de Google Pixel telefoon gebruik maakte van id-nummer 661441212 (hierna: * 1212 ) en dat in de telefoon één chatgesprek stond met de gebruiker van id-nummer 663884229 (hierna: * 4229 ). Het gesprek tussen * 1212 en * 4229 werd gevoerd vanaf 5 juli 2021 te 15:59 uur. In deze paragraaf onder de kop ‘ [medeverdachte K.W.] ’ zal nader worden omschreven op basis van welke feiten en omstandigheden de rechtbank vaststelt dat [medeverdachte K.W.] de gebruiker is geweest van id-nummer * 1212 van 5 juli 2021 te 15:59 uur tot 6 juli 2021 te 16:25 uur. De rechtbank stelt vast dat [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] samen de gebruikers zijn geweest van de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer * 1212 op 6 juli 2021 vanaf 16:40 uur tot het moment van hun aanhouding. Dit volgt uit de hierna genoemde feiten en omstandigheden. Uit de versleutelde data is gebleken dat op 6 juli 2021 om 16:40 uur een foto van * 1212 werd verstuurd naar * 4229 . Op de foto is de binnenkant van een auto van het merk Renault te zien. Te zien is dat een persoon op de bestuurdersstoel zit met een blauwkleurige joggingbroek aan en dat een persoon op de bijrijdersstoel zit met een zwartkleurige joggingbroek aan en dat die persoon een geruite tas heeft. De kleding van deze personen komt overeen met de kleding die [medeverdachte K.E.] en [verdachte D.G.] dragen wanneer zij om 18:59 uur op de Prinsengracht te Amsterdam uit de Renault Kadjar stappen. Op camerabeelden is te zien dat [medeverdachte K.E.] uit de auto stapt vanuit de bestuurderszijde en dat [verdachte D.G.] uit de auto stapt vanuit de bijrijderszijde. [verdachte D.G.] draagt op die camerabeelden een geruite Louis Vuitton tas, die na zijn aanhouding in de Renault Kadjar is aangetroffen en waarin onder meer de identiteitskaart van [verdachte D.G.] zat. Het chatgesprek tussen * 1212 en * 4229 wordt vanaf 16:40 uur in zowel de Poolse taal als de Nederlandse taal gevoerd. In de berichten is te lezen dat de gebruiker van * 4229 in het Pools dan wel in het Nederlands meerdere keren aangeeft dat de gebruiker van * 1212 de telefoon aan de ander moet geven, waarna vervolgens de berichten in het Pools dan wel in het Nederlands verder gaan. Ook op grond van feiten en omstandigheden, zoals deze zijn beschreven in paragraaf 4.3.2.1, in combinatie met de inhoud van het gesprek tussen * 1212 en * 4229 , stelt de rechtbank vast dat [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] de gebruikers zijn geweest van het id-nummer 661441212 . [medeverdachte K.E.] +31649423994 Op grond van de volgende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.E.] gedurende de periode van 2 juli 2021 tot en met 6 juli 2021 de gebruiker is geweest van telefoonnummer +31649423994 en het toestel Samsung SM-A013G met IMEI-nummers 352287562257359 en 355811962257359. [medeverdachte K.E.] had voornoemde Samsung telefoon onder zich toen hij op 6 juli 2021 werd aangehouden. De telefoon was voorzien van een simkaart met telefoonnummer +31649423994. Uit de verkregen historische gegevens van het IMEI-nummer van de Samsung telefoon is gebleken dat het telefoonnummer +31649423994 van 2 juli 2021 tot en met 6 juli 2021 gekoppeld is geweest aan de telefoon. Het telefoonnummer staat op naam van [medeverdachte K.E.] en heeft contact gehad en/of pogingen daartoe gehad met telefoonnummers die op naam staan van zijn vrouw en van familieleden van [medeverdachte K.E.] , namelijk zijn moeder, zijn zus en haar echtgenoot. Zowel het IMEI-nummer als het telefoonnummer hebben het meest gebruik gemaakt van een zendmast die staat in de omgeving van de woning van [medeverdachte K.E.] op het adres [adres] . Op de Samsung telefoon zijn de chatapplicaties WhatsApp en Signal geïnstalleerd en daarbij werd gebruik gemaakt van het telefoonnummer +31649423994 en de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’. Op 6 juli 2021 om 13:33:10 uur is gebruik gemaakt van het e-mailaccount ‘ [e-mailadres] ’. +31630989167 Op grond van de volgende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.E.] gedurende de periode van 21 juni 2021 tot en met 2 juli 2021 ook de gebruiker is geweest van telefoonnummer +31630989167. Uit de historische gegevens van het IMEI-nummer 352287562257359 van de Samsung SM-A013G telefoon die onder [medeverdachte K.E.] in beslag is genomen, is gebleken dat in de periode van 21 juni 2021 tot en met 2 juli 2021 het telefoonnummer +31630989167 daaraan gekoppeld is geweest. Dit telefoonnummer heeft gedurende die periode het meest gebruik gemaakt van een zendmast die staat in de omgeving van de woning van [medeverdachte K.E.] . Het telefoonnummer heeft contact gehad en/of pogingen daartoe gehad met telefoonnummers die op naam staan van zijn vrouw en van familieleden van [medeverdachte K.E.] , namelijk zijn moeder, zijn zus en haar echtgenoot. Ook blijkt uit een politieregistratie dat het telefoonnummer op 1 juli 2021 gekoppeld is aan [medeverdachte K.E.] . +31649590296 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte K.E.] ook de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31649590296. Uit de historische gegevens van het IMEI-nummer van de Samsung telefoon die onder [medeverdachte K.E.] in beslag is genomen, is gebleken dat dit telefoonnummer op 21 juni 2021 van 18:43 uur tot 18:51 uur daaraan gekoppeld is geweest. Op de terechtzitting van 7 juni 2022 heeft [medeverdachte K.E.] verklaard dat dit zijn telefoonnummer is. Matrix id-nummer 661441212 In de Renault Kadjar, de auto waarin [medeverdachte K.E.] als bestuurder zat toen hij op 6 juli 2021 werd aangehouden, is in de middenconsole een Google Pixel telefoon aangetroffen. Zoals reeds omschreven onder de kop ‘ [verdachte D.G.] ’ staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] samen de gebruikers zijn geweest van de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer 661441212 op 6 juli 2021 vanaf 16:40 uur tot het moment van hun aanhouding. [medeverdachte K.M.] +31686323040 Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond van de volgende feiten en omstandigheden vast dat [medeverdachte K.M.] in de periode van 20 mei 2021 tot en met 21 september 2021 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31686323040 in combinatie met het toestel Samsung SM-G986B, voorzien van IMEI-nummers 355030110711403 en 355031110711401. De Samsung telefoon is in beslag genomen bij een doorzoeking van de woning op het adres [adres] op 19 oktober 2021. [medeverdachte K.M.] verbleef op dat moment in die woning en is daar toen aangehouden. In de slaapkamer van [medeverdachte K.M.] zijn meerdere telefoons aangetroffen, waaronder de Samsung telefoon. In de telefoon zijn meerdere selfies van [medeverdachte K.M.] aangetroffen en aan de telefoon was gekoppeld het e-mailadres ‘ [e-mailadres] ’. Ook zijn foto’s van documenten aangetroffen afkomstig van het autoverhuurbedrijf Sixt B.V. die waren gericht aan [medeverdachte K.M.] en geadresseerd aan zijn inschrijfadres. Aan de Samsung telefoon bleken zes simkaartnummers gekoppeld te zijn geweest, waarvan vier simkaarten geactiveerd zijn geweest. Eén van die vier telefoonnummers is het nummer +31686323040. Uit historische gegevens van dit nummer is gebleken dat het in de periode van 20 mei 2021 tot en met 21 september 2021 enkel in voornoemde Samsung telefoon heeft gezeten. Voorts blijkt uit de gegevens dat er 92 keer contact is geweest met een telefoonnummer dat op naam staat van de vader van [medeverdachte K.M.] en dat in de Samsung telefoon is opgeslagen in de contactenlijst als ‘mama’. +31682237932 De rechtbank stelt op grond van de volgende feiten en omstandigheden vast dat [medeverdachte K.M.] ook de gebruiker was van de iPhone met IMEI-nummer 353042094788163, welk toestel hij gedurende de periode van 14 juni 2021 tot en met 6 juli 2021 heeft gebruikt in combinatie met telefoonnummer +31682237932. Uit de verkeersgegevens van het telefoonnummer +31682237932 volgt dat het van 14 juni 2021 tot en met 6 juli 2021 te 19:52 uur gekoppeld is geweest aan een toestel met IMEI-nummer 353042094788163. Dit IMEI-nummer behoort toe aan een Apple iPhone X die is aangetroffen in de woning op het adres [adres] en die onder [medeverdachte K.M.] in beslag is genomen. Uit de historische gegevens van het IMEI-nummer is gebleken dat naast het nummer +31682237932 nog vier andere telefoonnummers zijn gebruikt, waaronder, in de periode van 8 februari 2021 tot en met 21 mei 2021, het telefoonnummer +31613905059. Dit nummer blijkt uit gegevens van de Kamer van Koophandel te horen bij de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ op naam van [medeverdachte K.M.] . Alle telefoonnummers die in de iPhone zijn gebruikt, hebben gemeen dat ze hetzelfde basisstation het vaakst gebruiken, ook gedurende de nachten. Dit betreft het basisstation gelegen aan de [adres] , wat dekking geeft aan het woonadres van [medeverdachte K.M.] . Daar komt bij dat uit onderzoek naar de geografische bewegingen van de iPhone in vergelijking met registraties in de politiesystemen met betrekking tot [medeverdachte K.M.] , drie momenten naar voren zijn gekomen waarop zij dezelfde reisbewegingen hebben gemaakt, te weten op 22 maart 2021, 2 april 2021 en 19 juni 2021. Matrix id-nummer 663884229 Zoals reeds hierboven is beschreven is in de Renault Kadjar een Google Pixel telefoon aangetroffen waarmee via de communicatiedienst Matrix versleuteld werd gecommuniceerd onder id-nummer * 1212 . In de telefoon is een gesprek aangetroffen met de gebruiker van Matrix id-nummer * 4229 . [medeverdachte K.M.] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onder druk berichten heeft verstuurd. Hoewel in het dossier ook enkele berichten zitten die afkomstig zijn van telefoonnummers van [medeverdachte K.M.] , spelen de berichten tussen de id-nummers * 1212 en * 4229 een hoofdrol in de verdenking jegens [medeverdachte K.M.] . Daarbij heeft [medeverdachte K.M.] zijn verklaring naar eigen zeggen afgelegd naar aanleiding van het spreekrecht van nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] en heeft hij zich in die verklaring ook specifiek tot hen gericht. Gelet hierop begrijpt de rechtbank de verklaring van [medeverdachte K.M.] zo dat hij doelde op de berichten die zijn verstuurd met het nummer * 4229 en dat hij erkent de gebruiker hiervan te zijn geweest. Ook op grond van de inhoud van de gesprekken tussen gebruikers * 1212 en * 4229 , in combinatie met de historische gegevens van het telefoonnummer *7932 van [medeverdachte K.M.] , stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.M.] van 5 juli 2021 te 17:06 uur tot en met 6 juli 2021 de gebruiker is geweest van * 4229 . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Gesprek tussen * 1212 en * 4229 op 6 juli 2021 van 16:02 uur tot 16:32 uur Uit het gesprek tussen * 1212 en * 4229 op 6 juli 2021 tussen 16:02 uur en 16:32 uur, welk gesprek in de Poolse taal wordt gevoerd, blijkt dat er een ontmoeting zal plaatsvinden op dezelfde plek als een dag eerder. Om 16:02 uur vraagt * 1212 of hij al naar buiten moet komen, waarop * 4229 antwoordt: ‘ik ben er bijna’. In het gesprek vraagt * 4229 aan * 1212 : ‘is hij al bij jou’. Uit het gesprek volgt dat ‘hij’ een ‘landgenoot’ is. Nu beide gebruikers in de Poolse taal spreken, gaat de rechtbank ervan uit dat dit gaat over een persoon van Poolse afkomst. Om 16:28 uur stuurt * 4229 ‘ik heb 3 min’, waarmee hoogstwaarschijnlijk wordt bedoeld dat hij er over drie minuten is. Vier minuten later, om 16:32 uur, vraagt * 4229 aan * 1212 ‘waar zijn jullie verdomme’ en zegt ‘er is geen tijd’. Uit dit gesprek kan worden opgemaakt dat * 4229 op de afgesproken plaats is en dat de gebruiker van * 1212 en ‘de landgenoot’ er nog niet zijn. Op datzelfde moment belt *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) naar het nummer 31685132600, waarvan de rechtbank later in deze paragraaf vaststelt dat dat nummer in gebruik is bij [medeverdachte K.W.] . Eén minuut later belt *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) naar het telefoonnummer +31649423994 van [medeverdachte K.E.] (hierna: *3994 ( [medeverdachte K.E.] )). Zowel [medeverdachte K.M.] als [medeverdachte K.W.] en [medeverdachte K.E.] zijn van Poolse afkomst en spreken de Poolse taal. Op beide belmomenten staat het nummer *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) onder bereik van zendmasten die dekking geven aan het adres Goereesestraat 29B en het Zuidplein 100C in Rotterdam . Voorts is uit de historische gegevens gebleken dat *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) een dag eerder, op 5 juli 2021 tussen 15:35 uur en 15:49 uur ook onder bereik stond van dezelfde zendmasten en dus ‘op dezelfde plek als gisteren’ was. Gesprek tussen * 1212 en * 4229 op 6 juli 2021 van 19:39 uur tot 19:52 uur Ook blijkt uit de inhoud van het gesprek tussen * 1212 (op dat moment in gebruik bij [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] ) en * 4229 dat op 6 juli 2021 in de avond plaatsvindt, in combinatie met de historische gegevens van het nummer *7932 van [medeverdachte K.M.] , dat [medeverdachte K.M.] de gebruiker was van * 4229 . In het gesprek wordt gesproken over het ‘in de fik steken’ van kleren en van de auto en er wordt besproken waar [medeverdachte K.E.] en [verdachte D.G.] naartoe moeten. De gebruiker van * 4229 vraagt omstreeks 19:47 uur meermalen of [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] naar Tiel kunnen worden gebracht. Uit de historische gegevens van *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) blijkt dat hij om 19:45 uur heeft gebeld naar het nummer van de vrouw van [medeverdachte K.E.] en dat hij zich op dat moment bevond onder bereik van een zendmast die behoort bij de locatie [adres] . Kort daarna, om 19:50 uur, zegt * 4229 tegen [verdachte D.G.] dat zij naar ‘die Polen in rotje’ moeten gaan. Met ‘rotje’ wordt, naar de rechtbank begrijpt, Rotterdam bedoeld. Het nummer *7932 van [medeverdachte K.M.] belt op datzelfde moment naar het nummer +31685132600, waarvan de rechtbank later in deze paragraaf vaststelt dat dat nummer in gebruik is bij [medeverdachte K.W.] , en naar het nummer dat volgens de politie in gebruik is bij [betrokkene 5] . Zowel [medeverdachte K.W.] als [betrokkene 5] zijn van Poolse afkomst. Het nummer van [betrokkene 5] bevindt zich op dat moment niet in Rotterdam en [medeverdachte K.M.] krijgt geen contact met het nummer van [medeverdachte K.W.] . Vervolgens stuurt * 4229 om 19:52 uur dat ‘hij’ niet thuis is. Ten slotte communiceert de gebruiker van * 4229 zowel in de Nederlandse als de Poolse taal, talen die [medeverdachte K.M.] allebei beheerst. Gelet op verklaring zoals [medeverdachte K.M.] die ter terechtzitting heeft afgelegd, de bel- en locatiegegevens van het nummer *7932 van [medeverdachte K.M.] en de inhoud van het gesprek tussen * 1212 en * 4229 en de berichten die door * 4229 worden verstuurd, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.M.] de gebruiker was van * 4229 . [medeverdachte K.W.] +31616742586 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte K.W.] van 12 juli 2021 tot en met 26 oktober 2021 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31616742586. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Het telefoonnummer is veelvuldig als tegennummer naar voren gekomen bij tapgesprekken van het nummer dat volgens de politie in gebruik is bij [betrokkene 5] (hierna: *1066 ( [betrokkene 5] )). Uit de tapgesprekken kwam identificerende informatie naar voren van de gebruiker van +31616742586. Zo wordt het nummer gebruikt door een Pools sprekende man die ‘ [naam 1] ’ wordt genoemd en noemt de gebruiker zichzelf ‘ [naam 2] ’. Verder zegt de gebruiker van het nummer een zus te hebben die ‘ [betrokkene 6] ’ heet en dat hij een vriendin heeft met wie hij samenwoont, genaamd [betrokkene 7] . Uit het dossier volgt dat [medeverdachte K.W.] een vriendin heeft genaamd [betrokkene 7] . Uit de politiesystemen blijkt namelijk dat [betrokkene 7] op 9 september 2021 bij een melding is aangetroffen op het adres Goereesestraat 29B te Rotterdam , waarbij zij zich in gezelschap bevond van haar vriend [medeverdachte K.W.] . Zij verklaarden beiden dat zij in die woning verbleven. Ook heeft [medeverdachte K.W.] tijdens een politieverhoor op 3 oktober 2021 verklaard dat hij een vriendin heeft genaamd [betrokkene 7] , met wie hij samenwoont in [plaats] . Daar komt bij dat de gebruiker van het nummer +31616742586 op 5 oktober 2021 spreekt over een auto-ongeval dat hij heeft gehad en dat de politie een zakje met drugs heeft gevonden. Uit de politiesystemen blijkt dat [medeverdachte K.W.] op 3 oktober 2021 is aangehouden voor het verlaten van een plaats na een ongeval en dat hij een zakje met vermoedelijk amfetamine bij zich droeg. Dat [betrokkene 5] en [medeverdachte K.W.] contacten van elkaar zijn blijkt uit de politiesystemen. Daarin staan meldingen waarbij zij samen zijn aangehouden wegens verdenkingen van het plegen van verschillende strafbare feiten. Uit de historische gegevens van het telefoonnummer +31616742586 (hierna: *2586 ( [medeverdachte K.W.] )) blijkt dat het in gebruik is geweest in de periode van 12 juli 2021 tot en met 26 oktober 2021. +31685132600 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte K.W.] van 23 juni 2021 tot en met 7 juli 2021 ook de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31685132600 en overweegt hiertoe als volgt. Uit de historische gegevens van het hierboven besproken telefoonnummer *2586 blijken grote overeenkomsten met het nummer +31685132600. Zo hebben beide nummers in dezelfde toestellen gezeten, namelijk in een Samsung SM-G130HN met IMEI-nummer 352325061023300 en in een Wiko Sunny 3 mini toestel met IMEI-nummer 358050091068200. Het nummer +31685132600 heeft van 26 juni 2021 tot en met 5 juli 2021 in het Sunny 3 mini toestel gezeten en van 6 juli 2021 tot en met 7 juli 2021 in de Samsung telefoon. Ook blijken beide nummers de mast op het adres Pleinweg 198D te Rotterdam het meest te hebben aangestraald, wat nabij het adres Goereesestraat 29B te Rotterdam is. Voorts hebben beide telefoonnummers grote overeenkomsten ten aanzien van hun tegennummers, waarbij zij het meest contact hebben gehad met het nummer *1066 ( [betrokkene 5] ). Daar komt bij dat het nummer *1066 ( [betrokkene 5] ) op 5 juli 2021 om 14:48 naar *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) twee sms-berichten stuurt, namelijk het bericht ‘0685132600’ en vervolgens het bericht ‘nummer van [naam 1] ’. Zoals reeds hierboven is beschreven werd [medeverdachte K.W.] in de tapgesprekken van *1066 ( [betrokkene 5] ) ook ‘ [naam 1] ’ genoemd. Gelet op de overeenkomsten tussen beide nummers en de inhoud van de twee, door nummer *1066 ( [betrokkene 5] ), verstuurde sms-berichten, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.W.] de gebruiker is geweest van +31685132600. Matrix id-nummer 661441212 Zoals reeds hierboven is beschreven is in de Renault Kadjar een Google Pixel telefoon aangetroffen en werd met die telefoon via de applicatie Matrix versleuteld gecommuniceerd met id-nummer * 1212 , waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat [verdachte D.G.] en [medeverdachte K.E.] op 6 juli 2021 vanaf 16:40 uur de gebruikers zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte K.W.] de gebruiker is geweest van Matrix id-nummer * 1212 gedurende de periode van 5 juli 2021 te 15:59 uur tot 6 juli 2021 te 16:25 uur en overweegt hiertoe als volgt. Op 5 juli 2021 om 14:48 uur ontvangt [medeverdachte K.M.] van *1066 ( [betrokkene 5] ) het telefoonnummer *2600 van [medeverdachte K.W.] . Eén minuut later, om 14:49 uur, stuurt [medeverdachte K.M.] naar *1066 ( [betrokkene 5] ) dat hij met deze telefoons geen contact met hen gaat houden en dat ‘ [naam 3] ’ zo meteen een telefoon krijgt die hij niet mag kwijtraken. Zoals reeds is beschreven blijkt uit het gesprek dat op 6 juli 2021 tussen * 4229 ( [medeverdachte K.M.] ) en * 1212 wordt gevoerd dat zij elkaar gaan ontmoeten op dezelfde plek als waar zij elkaar een dag eerder hebben ontmoet en blijkt uit de historische gegevens van het telefoonnummer *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) dat die ontmoeting tussen 15:35 uur en 15:49 uur heeft plaatsgevonden in de omgeving van de Goereesestraat 29B en het Zuidplein 100C in Rotterdam . Na een eenmalige aanmelding op 22 juni 2021 om 13:31 uur wordt * 1212 op 5 juli 2021 vanaf 15:59 uur actief in het mobiele netwerk terwijl het nummer *2600 van [medeverdachte K.W.] vanaf 15:37 uur die dag tot en met 6 juli 2021 lijkt te zijn uitgeschakeld. Voorts blijkt uit het gesprek op 6 juli 2021 tussen * 4229 ( [medeverdachte K.M.] ) en * 1212 dat [medeverdachte K.M.] zich afvraagt waar de gebruiker van * 1212 blijft. Om 16:32 uur stuurt hij namelijk ‘waar zijn jullie verdomme’. Op hetzelfde tijdstip doet het nummer *7932 ( [medeverdachte K.M.] ) een uitgaande oproep naar het nummer *2600 van [medeverdachte K.W.] . Op basis van de inhoud van de sms-berichten tussen [medeverdachte K.M.] en *1066 ( [betrokkene 5] ) waaruit volgt dat ‘ [naam 3] ’ een telefoon gaat ontvangen, in combinatie met het kort daarna in het netwerk komen van de Google Pixel terwijl de ‘normale’ telefoon van [medeverdachte K.W.] niet meer in het netwerk voorkomt en het gegeven dat [medeverdachte K.M.] naar het nummer van [medeverdachte K.W.] belt terwijl hij zich afvraagt waar * 1212 blijft, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.M.] de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer * 1212 op 5 juli 2021 tussen 15:35 uur en 15:49 uur heeft overhandigd aan [medeverdachte K.W.] . Het verweer van de verdediging dat met ‘ [naam 3] ’ niet [medeverdachte K.W.] wordt bedoeld wordt verworpen. Ook op basis van de berichten van * 1212 op 6 juli 2021 stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.W.] de gebruiker is geweest van de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer * 1212 . Uit het gesprek blijkt dat de gebruiker van * 1212 ‘thuis’ is. Zo stuurt de gebruiker van * 1212 om 11:46 uur ‘ik ben thuis’, stuurt hij om 13:43 uur de berichten ‘ik ben er’ en ‘ik was aan het douchen’ en blijkt uit de berichten tussen 16:02 uur en 16:05 uur dat de gebruiker van * 1212 ‘naar buiten zal komen’ als * 4229 ( [medeverdachte K.M.] ) hem een seintje geeft. Uit de historische gegevens van de Google Pixel telefoon blijkt dat de telefoon op 6 juli 2021 om 0:00 uur, 8:00 uur en 16:00 uur de zendmast op het adres Pleinweg 198D in Rotterdam aanstraalt. Deze zendmast geeft dekking aan het adres Goereesestraat 29B in Rotterdam , het verblijfadres van [medeverdachte K.W.] . Daar komt bij dat uit de berichten tussen * 4229 ( [medeverdachte K.M.] ) en * 1212 volgt dat de gebruiker van * 1212 op 5 juli 2021 een wapen in zijn bezit heeft gehad. Om 18:55 uur stuurt * 4229 ( [medeverdachte K.M.] ) namelijk naar * 1212 het bericht ‘het wapen naar huis brengen en de auto achterlaten’ en om 18:58 uur stuurt hij dat * 1212 niet met het wapen mag spelen. Later zal in dit vonnis nader worden beschreven op grond waarvan de rechtbank vaststelt dat [medeverdachte K.W.] op 5 juli 2021, samen met [medeverdachte K.E.] , omstreeks 18:49 uur wapens heeft opgehaald in Alphen aan den Rijn en dat met één van die wapens, een omgebouwd gas- en alarmpistool van het merk Zoraki, Peter R. de Vries is neergeschoten. Later in dit vonnis zal de rechtbank vaststellen dat ook op dit wapen DNA van [medeverdachte K.W.] is aangetroffen. Ten slotte wordt door de gebruiker van * 1212 gedurende de periode van 5 juli 2021 te 15:59 uur tot 6 juli 2021 te 16:25 uur uitsluitend in de Poolse taal gesproken, terwijl vaststaat dat [medeverdachte K.W.] van Poolse afkomst is en de Poolse taal spreekt. [medeverdachte E.O.] +31626125917 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte E.O.] de gebruiker is geweest van telefoonnummer +31626125917 gedurende de periode van 20 april 2021 tot en met 6 juli 2021 te 20:59 uur. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit de gesprekken met het telio-nummer van [medeverdachte C.W.] is gebleken dat [medeverdachte C.W.] op 1 juni 2021 belt met zijn vriendin en vraagt om het telefoonnummer van ‘Red’. Zijn vriendin geeft hem vervolgens het telefoonnummer 0626125917 door. [medeverdachte E.O.] heeft in een verhoor bij de politie op 8 juli 2022 verklaard dat zijn bijnaam ‘Red’ is. Vervolgens blijkt uit de gesprekken met het telio-nummer van [medeverdachte C.W.] dat hij op verschillende data in de periode van 1 juni 2021 tot en met 6 juli 2021 heeft gebeld naar het telefoonnummer +31626125917. Weliswaar wordt bij deze gesprekken ook de stem van [medeverdachte G.M.] herkend, maar bij alle gevoerde gesprekken wordt de stem van de persoon door wie de telefoon wordt opgenomen herkend als die van [medeverdachte E.O.] , wat er op duidt dat [medeverdachte E.O.] de gebruiker is van het nummer. Uit de historische gegevens van het nummer +31626125917 is gebleken dat het nummer van 20 april 2021 tot en met 6 juli 2021 te 20:59 uur gekoppeld is geweest aan één toestel, namelijk het toestel met IMEI-nummer 354763591643680 (hierna: IMEI*3680). [medeverdachte G.M.] +31620485512 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte G.M.] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31620485512 gedurende de periode van 30 juli 2021 tot en met 11 augustus 2021, in combinatie met een Xiaomi toestel met IMEI-nummer 868754056077707. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Tijdens een observatie van [medeverdachte E.O.] op 11 augustus 2021 werd gezien dat hij op een balkon stond van een woning op het adres [adres] . Kort daarna werd een ander persoon op datzelfde balkon gezien, die is geïdentificeerd als [medeverdachte G.M.] . Door middel van een IMSI-scan werd vastgesteld dat die persoon, [medeverdachte G.M.] , gebruik maakte van een Xiaomi toestel met IMEI-nummer 868754056077707 (hierna: IMEI*7707). Uit een tap op dit toestel bleek daaraan het telefoonnummer +31620485512 te zijn gekoppeld. Uit de historische gegevens van het IMEI-nummer en het telefoonnummer bleek dat zij beiden actief waren in de periode van 30 juli 2021 tot en met 11 augustus 2021. Ook blijkt uit de inhoud van de tapgesprekken van het telefoontoestel, waaraan op dat moment het nummer +31620485512 gekoppeld was, dat [medeverdachte G.M.] de gebruiker was van het toestel. Er wordt regelmatig ingebeld door een telefoonnummer op naam van [betrokkene 8] . Uit politieregistraties blijkt dat [betrokkene 8] en [medeverdachte G.M.] bekenden zijn van elkaar. [betrokkene 8] heeft namelijk op 31 maart 2021 aangifte gedaan van een bedreiging door haar ex-vriend op 24 mei 2021 waarbij [medeverdachte G.M.] aanwezig zou zijn geweest. Toen de politie wegens de melding op 25 mei 2021 langs de woning van [betrokkene 8] ging, werd de voordeur geopend door [medeverdachte G.M.] . In de tapgesprekken wordt de gebruiker van het toestel door [betrokkene 8] ‘ [medeverdachte G.M.] ’ genoemd, zijnde de voornaam van [medeverdachte G.M.] . Daarnaast zegt de gebruiker van het toestel op 23 augustus 2021 in een gesprek met [medeverdachte C.W.] , via diens telio-nummer, dat hij vrijdag een afspraak heeft om zich in te schrijven. Op dat moment straalt het toestel een mast aan in [plaats] en uit de gemeentelijke basisadministratie van [medeverdachte G.M.] blijkt dat hij zich op 25 augustus 2021 heeft ingeschreven op het woonadres van [betrokkene 8] in [plaats] . +31633639426 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte G.M.] ook de gebruiker was van het telefoonnummer +31633639426 gedurende de periode van 8 juli 2021 tot en met 29 juli 2021. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In een tapgesprek op 2 juli 2021, via het telio-nummer, van [medeverdachte C.W.] met zijn vriendin, zegt [medeverdachte C.W.] dat hij ‘Red’ en ‘Angel’ volgende week op bezoek wil laten komen. Op 8 juli 2021 belt [medeverdachte C.W.] opnieuw met zijn vriendin en in dat gesprek vraagt zijn vriendin hem om ‘Angel’ te bellen en geeft zij hem het telefoonnummer +31633639426. Direct na dit gesprek belt [medeverdachte C.W.] naar dit nummer en de stem van [medeverdachte G.M.] wordt herkend als de gebruiker van het nummer. Uit dit gesprek volgt dat [medeverdachte C.W.] en de gebruiker van het nummer, [medeverdachte G.M.] , elkaar morgen gaan zien. Uit de bezoekerslijst van de P.I. waar [medeverdachte C.W.] op dat moment gedetineerd is, blijkt dat [medeverdachte C.W.] op 9 juli 2021 bezoek heeft gehad van zijn vriendin, [medeverdachte G.M.] en [medeverdachte E.O.] . Uit de historische gegevens blijkt dat het nummer actief is geweest van 8 juli 2021 tot en met 29 juli 2021 en dat het in twee toestellen heeft gezeten. Het nummer heeft van 8 juli 2021 tot en met 23 juli 2021 in een Samsung Galaxy A12 met IMEI-nummer 355765357259100 gezeten. Dit toestel is van [medeverdachte C.W.] en werd door hem tot zijn aanhouding op 28 mei 2021 gebruikt. Daarna heeft het nummer van 23 juli 2021 tot en met 29 juli 2021 in een Samsung Galaxy A12 met IMEI-nummer 353761200962360 gezeten. +31626038364 De rechtbank stelt op grond van de volgende feiten en omstandigheden vast dat [medeverdachte G.M.] ook de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31626038364 gedurende de periode van 9 juni 2021 tot en met 7 juli 2021. [medeverdachte C.W.] was de gebruiker van dit telefoonnummer tot zijn aanhouding op 28 mei 2021. Na zijn aanhouding is het telefoonnummer +31626038364 tot en met 9 juni 2021 gekoppeld gebleven aan het dual-sim toestel met IMEI-nummers 355765357259100 en 351479597259100 (hierna: IMEI*9100). Het telefoonnummer is daarna van 9 juni 2021 tot en met 7 juli 2021 gekoppeld geweest aan het toestel met IMEI-nummer 354487118374750 (hierna: IMEI*4750). Dat het toestel met IMEI-nummer *9100 na de aanhouding van [medeverdachte C.W.] in gebruik is genomen door [medeverdachte G.M.] blijkt ook uit het gegeven dat [medeverdachte G.M.] het toestel in de periode van 8 juli 2021 tot en met 23 juli 2021 heeft gebruikt in combinatie met zijn telefoonnummer +31633639426 en uit het gegeven dat de IMEI-nummers van dit toestel in de periode van 15 tot en met 23 juli 2021 en van 3 tot en met 11 augustus 2021 het meest aanstraalt op masten in [plaats] , alwaar de vriendin van [medeverdachte G.M.] woonde en waar [medeverdachte G.M.] zich op 25 augustus 2021 heeft ingeschreven. Dat het nummer +31626038364 van [medeverdachte G.M.] is wordt ondersteund door het feit dat dit telefoonnummer, in combinatie met het toestel met IMEI-nummer *4750, op 6 juli 2021 dezelfde reisbewegingen maakt als [medeverdachte G.M.] . [medeverdachte C.W.] TULP nummer 3009612887 (telio) Binnen de penitentiaire inrichtingen waar [medeverdachte C.W.] verbleef wordt gebruik gemaakt van Telio Nederland B.V., het zichtbare nummer waarmee wordt uitgebeld is + 3120890909 . De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte C.W.] tijdens zijn detentie gebruik heeft gemaakt van dat nummer gedurende de periode van 28 mei 2021 tot en met 12 december 2021. Iedere gedetineerde krijgt een eigen TULP nummer toegewezen. [medeverdachte C.W.] is gedetineerd geweest van 28 mei 2021 tot en met 12 december 2021 en kreeg TULP nummer 3009612887 toegewezen. Daar waar gedoeld wordt op dit telefoonnummer, zal in het vonnis worden gesproken over ‘het telio-nummer van [medeverdachte C.W.] ’. [medeverdachte L.S.] +31616084245 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte L.S.] op 1 en 5 juli 2021 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31616084245. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. [medeverdachte L.S.] had ten tijde van zijn aanhouding een Apple iPhone 12 met IMEI-nummer 353241894551140 (hierna: IMEI*1140) onder zich. [medeverdachte L.S.] heeft tijdens zijn politieverhoor verklaard dat dit zijn telefoon is en dat hij dat toestel ongeveer twee á drie jaar geleden heeft overgenomen van zijn broer. Het toestel was voorzien van een simkaart en daarnaast zaten er twee losse simkaarten in het hoesje van de telefoon. Eén van de simkaarten was voorzien van een IMSI-nummer dat hoort bij het telefoonnummer +31616084245. Uit de historische gegevens van dit telefoonnummer is gebleken dat het telefoonnummer in gebruik is geweest van 20 juni 2021 tot en met 20 december 2021 en dat het, met name in de nachtelijke uren, het meest een mast heeft aangestraald die dekking geeft aan het woonadres van [medeverdachte L.S.] . Daar komt bij dat het nummer op 1 juli 2021 in Amsterdam een mast heeft aangestraald die dekking geeft aan de Lange Leidsedwarsstraat, terwijl op camerabeelden te zien is dat [medeverdachte L.S.] kort daarvoor door die straat is gelopen. [medeverdachte D.K.] +31622367394 De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte D.K.] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer +31622367394. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Op 8 november 2021 is [medeverdachte D.K.] aangehouden in een ander strafrechtelijk onderzoek genaamd Cumbia en is zijn woning doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is een iPhone aangetroffen die was voorzien van IMEI-nummers 355877338050406 en 355877337819686 en waaraan telefoonnummer +31622367394 was gekoppeld. De telefoon is onderzocht en op basis van de informatie uit de telefoon kan worden vastgesteld dat [medeverdachte D.K.] de gebruiker was. Zo is in de telefoon op 19 maart 2021 bij Apple ingelogd met de accountnaam ‘iPhone van [naam 4] ’, zijnde de voornaam van [medeverdachte D.K.] . Ook blijkt uit verschillende WhatsApp-gesprekken, waarbij de gebruiker van de telefoon gebruik maakt van de naam ‘Young Genius’, dat [medeverdachte D.K.] de gebruiker was. Zo staat in de telefoon een gesprek met [betrokkene 9] , met wie de gebruiker, gelet op de inhoud van het gesprek, een relatie lijkt te hebben. In het onderzoek Cumbia is gebleken dat [medeverdachte D.K.] een relatie heeft met [betrokkene 9] en dat hij ook verblijft op haar adres. In een gesprek met een contact genaamd ‘Delos’ wordt door de gebruiker tweemaal een foto gestuurd van een rekeningnummer op naam van [medeverdachte D.K.] . Voorts is [medeverdachte D.K.] geboren op [geboortedag ] en wordt de gebruiker van de telefoon op [datum] 2021 om 23:58:10 uur door een contact gefeliciteerd. Verder blijkt uit zowel een WhatsApp-gesprek als uit een Signal-gesprek, waarbij gebruik wordt gemaakt van de naam ‘Familia’, dat de gebruiker in de periode van 21 tot en met 25 juli 2021 in het ziekenhuis ligt. In het WhatsApp-gesprek wordt door de gebruiker een video gestuurd waarop [medeverdachte D.K.] te zien is, liggend in een ziekenhuisbed. Conclusie Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de hierna genoemde verdachten de gebruikers zijn geweest van de hierna genoemde telefoonnummers. Daar waar de rechtbank in het vonnis spreekt over het gebruik van deze telefoons en telefoonnummers zal in het vervolg, voor zover daarmee kan worden volstaan, enkel de naam van de verdachte worden genoemd. Verdachte Telefoonnummer Telefoontoestel / IMEI-nummer Periode [verdachte D.G.] +31687576769 Samsung/ 352287560114255 en 355811960114255 17 juni 2021 t/m 6 juli 2021 661441212 (Matrix
  4. id)Google Pixel 3a / 359678093346740 6 juli 2021 te 16:40 uur t/m 6 juli 2021 te 20:17 uur [medeverdachte K.E.] +31649423994 Samsung SM-A013G/ 352287562257359 en 355811962257359 2 juli 2021 t/m 6 juli 2021 +31630989167 Samsung SM-A013G / 352287562257359 21 juni 2021 t/m 2 juli 2021 +31649590296 Samsung SM-A013G / 352287562257359 21 juni 2021 van 18:43 uur tot 18:51 uur 661441212 (Matrix
  5. id)Google Pixel 3a / 359678093346740 6 juli 2021 te 16:40 uur t/m 6 juli 2021 te 20:17 uur [medeverdachte K.M.] +31686323040 Samsung SM-G986B / 355030110711403 en 355031110711401 20 mei 2021 t/m 21 september 2021 +31682237932 Apple iPhone / 353042094788163 14 juni 2021 t/m 6 juli 2021 663884229 (Matrix-
  6. id)onbekend 5 juli 2021 te 17:06 uur t/m 6 juli 2021 [medeverdachte K.W.] +31616742586 Samsung SM-G130HN / 352325061023300 12 juli 2021 t/m 9 augustus 2021 +31685132600 Samsung SM-G130HN / 352325061023300 Sunny 3 mini / 358050091068200 6 juli 2021 t/m 7 juli 2021 26 juni 2021 t/m 5 juli 2021 661441212 (Matrix
  7. id)Google Pixel 3a / 359678093346740 5 juli 2021 te 15:59 uur tot 6 juli 2021 te 16:25 uur [medeverdachte E.O.] +31626125917 354763591643680 20 april 2021 t/m 6 juli 2021 [medeverdachte G.M.] +31620485512 Xiaomi / 868754056077707 30 juli 2021 t/m 11 augustus 2021 +31633639426 Samsung Galaxy A12 / 355765357259100 Samsung Galaxy A12 / 353761200962360 8 juli 2021 t/m 23 juli 2021 23 juli 2021 t/m 29 juli 2021 +31626038364 354487118374750 9 juni 2021 t/m 7 juli 2021 [medeverdachte C.W.] + 3120890909 TULP nummer 3009612887 - 28 mei 2021 t/m 12 december 2021 [medeverdachte L.S.] +31616084245 Apple iPhone 12 / 353241894551140 [medeverdachte D.K.] +31622367394 Apple iPhone / 355877338050406 en 355877337819686 4.3.2 Feiten en omstandigheden 4.3.2.1 Vaststelling van de feiten en omstandigheden Op grond van het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Het neerschieten en overlijden van Peter R. de Vries Op 6 juli 2021 omstreeks 19:30 uur komt bij de politie de melding binnen dat een man was neergeschoten op de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Het slachtoffer blijkt Peter R. de Vries te zijn. Peter R. de Vries was vlak daarvoor te gast in RTL Boulevard. Op 15 juli 2021 is Peter R. de Vries overleden. Uit het pathologisch onderzoek volgt dat er twee schotletsels zijn aangetroffen, namelijk een inschot in het hoofd achter het linkeroor en een doorschot ter hoogte van de rechterheup. Het overlijden van Peter R. de Vries wordt zonder meer verklaard door de gevolgen van (de verwikkelingen van) het schotletsel door het hoofd. Gebeurtenissen in aanloop naar het neerschieten van Peter R. de Vries April 2021 – [medeverdachte K.M.] zoekt mensen om een journalist te volgen en dood te schieten Getuige 5089 heeft verklaard dat [medeverdachte K.M.] vanaf april 2021 op zoek was naar iemand die achter een journalist aan zou rijden en foto’s van hem zou maken en dat hij later op zoek was naar iemand die de journalist zou doodschieten. [medeverdachte K.M.] zou dit doen voor zijn ‘oom’, een Marokkaanse man voor wie hij werkte. De journalist moest worden doodgeschoten omdat hij samenwerkte met de kroongetuige in een zaak tegen de Marokkaanse man. Daarvoor hadden ze de broer van de kroongetuige doodgeschoten en nu zou de journalist aan de beurt zijn. [medeverdachte K.M.] heeft hem verteld dat [medeverdachte K.E.] vanaf juni 2021 de journalist ging volgen om hem dood te schieten, maar dat hij waarschijnlijk bang was en dat [medeverdachte K.M.] iemand anders moest vinden. [medeverdachte K.E.] wist echter te veel en daarom kreeg hij de rol van chauffeur. [betrokkene 10] , die samen met [medeverdachte K.M.] is aangehouden op de Middachtenweg in Den Haag op 19 oktober 2021, heeft verklaard dat [medeverdachte K.M.] hem, ongeveer twee maanden voordat Peter R. de Vries is neergeschoten, heeft gevraagd om een paar foto’s te maken van een meneer die uit een kantoorpand kwam. Hij heeft dat niet gedaan. [betrokkene 10] kwam er later achter dat het om Peter R. de Vries ging. Nadat Peter R. de Vries was neergeschoten heeft hij van [medeverdachte K.M.] gehoord wat er is gebeurd. [medeverdachte K.M.] liep ermee te pronken, evenals over de man voor wie hij werkte die hij ‘oom’ noemde. Mei 2021 – [medeverdachte E.O.] , [medeverdachte G.M.] en [medeverdachte C.W.] in Delfzijl, [medeverdachte L.S.] vliegt vanuit Curaçao naar Nederland De telefoons van [medeverdachte C.W.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] stralen vanaf 10 mei 2021 masten aan in Delfzijl. Op 28 mei 2021 komt de politie op het adres [adres] wegens geluidsoverlast. In de woning worden [medeverdachte C.W.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] aangetroffen. [medeverdachte C.W.] wordt aangehouden in verband met een openstaande gevangenisstraf van 144 dagen. Op 23 mei 2021 komt [medeverdachte L.S.] vanuit Curaçao aan in Nederland. 9 juni 2021 – aanwezigheid [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] in de omgeving van de plaats delict De telefoon van [medeverdachte E.O.] straalt op 9 juni 2021 tussen 17:53 uur en 20:57 uur een zendmast aan die dekking geeft aan de omgeving van de studio van RTL Boulevard in Amsterdam. De telefoon van [medeverdachte G.M.] straalt om 20:56 uur dezelfde zendmast aan. Dit is tot 1 juli 2021 de enige dag waarop hun nummers worden geregistreerd in de omgeving van de studio van RTL Boulevard. Op 11 juni 2021 voert [medeverdachte C.W.] met zijn telio-nummer vanuit de gevangenis een gesprek met [medeverdachte E.O.] . In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd: [medeverdachte C.W.] : wat gaan jullie doen gaan jullie beginnen met werken? [medeverdachte E.O.] : jaah we zijn gaan zitten kijken, maar we hadden je nodig maar jaah De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] op 9 juni 2021 in de omgeving van de plaats delict zijn gaan kijken. 11 juni 2021 – aanwezigheid [medeverdachte L.S.] in de omgeving van de plaats delict Op 11 juni 2021 was [medeverdachte L.S.] samen met [betrokkene 11] (niet zijnde verdachte [medeverdachte E.O.] ) en [betrokkene 12] in Amsterdam. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat zij om 19:58 uur aankomen bij de McDonalds op de Leidsestraat in Amsterdam. [medeverdachte L.S.] en [betrokkene 11] gaan de McDonalds in, terwijl [betrokkene 12] de Lange Leidsedwarsstraat in loopt tot ongeveer perceel 17. Daar staat [betrokkene 12] even stil waarna hij zich omdraait en terug loopt in de richting van de McDonalds. [betrokkene 12] kijkt hierbij om zich heen en omhoog. Om 20:12 uur loopt [betrokkene 12] de McDonalds in. Om 20:14 uur komt [betrokkene 11] met twee tassen in zijn handen de McDonalds uit en gaat vervolgens samen met [medeverdachte L.S.] op het terras van de McDonalds zitten aan een tafel tegenover de uitgang op de Lange Leidsedwarsstraat van de RTL Boulevard studio. Twee minuten later komt [betrokkene 12] de McDonalds uit en gaat bij hen zitten. Om 20:29 uur vertrekken zij in de richting waar zij eerder vandaan zijn gekomen. In de telefoon van [medeverdachte L.S.] zijn verwijderde zoektermen aangetroffen. Op 11 juni 2021 om 19:31 uur heeft hij als zoekterm ingevoerd ‘rembrandtplein mac’ en om 19:36 uur de zoekterm ‘leidsestraat amsterdam’. 20 juni 2021- gestolen Renault Kadjar wordt ‘koud’ gezet op de Miamidreef in Utrecht Op 20 juni 2021 wordt aangifte gedaan van diefstal van een zilvergrijze Renault Kadjar met kenteken H-599-TG. De auto is volgens de aangeefster weggenomen van een parkeerplaats in Hoofddorp tussen 19 juni 2021 om 13:30 uur en 20 juni 2021 om 09:05 uur. Dit betreft de Renault Kadjar waarin [medeverdachte K.E.] en [verdachte D.G.] zijn aangehouden op 6 juli 2021 en die was voorzien van het valse kenteken [kenteken] . Uit het infotainmentsysteem van de Renault Kadjar, welk systeem wordt ingeschakeld zodra het contact van de auto wordt opgestart, volgt dat de auto op 20 juni 2021 om 00:50 uur en 01:07 uur is gestart terwijl hij onder bereik stond van een zendmast behorende bij een Q-park parkeerplaats in Hoofddorp. Vervolgens is de auto op 21 juni 2021 om 00:07 uur gestart terwijl hij onder bereik stond van een zendmast die dekking geeft aan de Miamidreef in Utrecht. Op verschillende tijdstippen tussen 21 en 27 juni 2021 is de auto gestart en telkens staat de auto onder bereik van zendmasten die dekking geven aan de Miamidreef in Utrecht. Op 27 juni 2021 is de auto om 01:52 uur is gestart. Om 02:12 uur staat het nummer van H. Tawfiq, wiens vingerafdrukken op de valse kentekenplaten van de Renault Kadjar zijn aangetroffen, eveneens onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de Miamidreef. Ook het nummer van [medeverdachte K.M.] staat rond hetzelfde tijdstip, om 02:29 uur, onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de Miamidreef. Tawfiq heeft verklaard dat hij en [medeverdachte K.M.] jeugdvrienden zijn. Op 3 juli 2021, om 16:41 uur, is het valse kenteken van de Renault Kadjar bevraagd door een politieambtenaar die zich op dat moment op de Miamidreef bevond. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de Renault Kadjar waarin [medeverdachte K.E.] en [verdachte D.G.] op 6 juli 2021 zijn aangehouden, op 20 juni 2021 is gestolen in Hoofddorp, vervolgens is ‘koud gezet’ op de Miamidreef in Utrecht en daarna door [medeverdachte K.M.] en Tawfiq is voorzien van de valse kentekenplaten. 23 juni 2021 – aanwezigheid [medeverdachte K.E.] in de omgeving van de plaats delict Ter terechtzitting zijn camerabeelden getoond. Op camerabeelden van 23 juni 2021, mede blijkens eigen waarneming van de rechtbank, is te zien dat een man om 17:14 uur vanuit de richting van de Prinsengracht over de Leidsestraat loopt en linksaf de Lange Leidsedwarsstraat in slaat. De man loopt langs de McDonalds en de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard. De man slaat vervolgens om 17:16 uur de Leidsekruisstraat in en loopt om 17:17 uur linksaf de Prinsengracht op. [medeverdachte K.E.] heeft op 7 juni 2022 ter terechtzitting verklaard dat hij de man is die te zien is op deze beelden. Op grond van deze verklaring alsmede de gelijkenissen tussen de tatoeages van deze persoon en die van [medeverdachte K.E.] en het gegeven dat [medeverdachte K.E.] hier dezelfde trui met opdruk ‘Pitbull Sports’ draagt als op 6 juli 2021, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.E.] de persoon is die te zien is op de beelden. Ongeveer twee uur later, om 19:21 uur, is op camerabeelden te zien dat een man vanuit de richting van de Prinsengracht over de Leidsestraat loopt en linksaf de Lange Leidsedwarsstraat in slaat. Om 19:21 uur loopt de man langs de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard waarbij hij kijkt naar die uitgang. Enkele meters verderop blijft hij stil staan en kijkt hij wederom in de richting van de achteruitgang. Weer loopt hij enkele meters verder en vervolgens gaat hij ter hoogte van perceel 82 stil staan. Om 19:24 uur is te zien dat Peter R. de Vries via de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard naar buiten komt en de Lange Leidsedwarsstraat in loopt richting parkeergarage ‘De Hoofdstad’ (hierna: de parkeergarage), waar Peter R. de Vries altijd zijn auto of motor parkeerde als hij te gast was bij RTL Boulevard. Peter R. de Vries loopt langs de man. Nadat om 19:25 uur een politiebusje de man heeft gepasseerd, loopt de man ook in de richting van de parkeergarage. Om 19:26 uur loopt Peter R. de Vries de parkeergarage in en één minuut later is in het raam van het pand naast de parkeergarage de reflectie van de man te zien. Om 19:28 uur is te zien dat de man langs de parkeergarage loopt en dat hij de parkeergarage in kijkt tijdens het voorbij lopen. Op basis van de uiterlijke kenmerken van de man stelt de rechtbank vast dat de man die op de beelden te zien is, [medeverdachte K.E.] is. Daar komt bij dat [medeverdachte K.E.] dezelfde jas van het merk ‘Nike’ draagt als op de beelden van 28 juni 2021, waarvan de rechtbank hierna zal vaststellen dat [medeverdachte K.E.] daarop te zien is. In de woning van [medeverdachte K.E.] is een usb-stick gevonden met daarop een foto van [medeverdachte K.E.] samen met zijn vrouw, waarbij [medeverdachte K.E.] een Nike jas draagt die er exact hetzelfde uitziet als de jas die hij op 23 juni en 28 juni 2021 draagt. Het verweer van [medeverdachte K.E.] dat hij niet de persoon is op de beelden van 19:20 uur tot 19.28 uur en dat hij op dat moment niet in Amsterdam was, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Niet alleen is de rechtbank van oordeel dat het [medeverdachte K.E.] is die te zien is op de beelden van 23 juni 2021, maar bovendien maakt het telefoonnummer van [medeverdachte K.E.] om 19:05 uur gebruik van een zendmast op de Amsteldijk in Amsterdam. 28 juni 2021 – aanwezigheid [medeverdachte K.E.] in de omgeving van de plaats delict Op camerabeelden van 28 juni 2021 is, mede blijkens eigen waarneming van de rechtbank, te zien dat een man om 18:15 uur vanuit de richting van de Prinsengracht de Leidsekruisstraat in slaat en daarna de Korte Leidsedwarsstraat in loopt. De man betreedt het pand van ‘Jack’s Casino’. Om 19:25 uur verlaat de man het pand en loopt in de richting van de Leidsekruisstraat. Om 19:26 uur is te zien dat Peter R. de Vries de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard verlaat en de Lange Leidsedwarsstraat in loopt in de richting van de parkeergarage. Enkele seconden later is te zien dat de man stil staat op de kruising van de Leidsekruisstraat en de Lange Leidsedwarsstraat en dat hij in de richting van Peter R. de Vries kijkt. De man loopt vervolgens uit beeld en om 19:27 uur is te zien dat Peter R. de Vries de kruising passeert. Eén minuut later is te zien dat Peter R. de Vries de parkeergarage in loopt en direct hierna is te zien dat de man langs de parkeergarage loopt, de parkeergarage in kijkt, stopt ter hoogte van de ingang van de parkeergarage en zijn rug naar de parkeergarage draait. Op dat moment kijkt de man met zijn gezicht in de richting van de camera. De man loopt heen en weer en te zien is dat hij telkens de parkeergarage in kijkt. Vervolgens loopt de man weg in de richting van de Spiegelgracht. Op basis van de uiterlijke kenmerken van de man, alsmede de tatoeages in de nek van de man, stelt de rechtbank vast dat de man op de beelden [medeverdachte K.E.] is. Daarbij draagt [medeverdachte K.E.] dezelfde jas van het merk ‘Nike’ als op de beelden van 23 juni 2021, welke jas er exact hetzelfde uitziet als de jas die hij draagt op een foto die op de usb-stick in zijn woning is aangetroffen. Door de verdediging is aangevoerd dat [medeverdachte K.E.] heeft verklaard dat hij die dag bij zijn moeder was en dat [medeverdachte K.E.] niet de persoon is die op de beelden van 28 juni 2021 te zien is. Daarnaast zijn de beelden niet van voldoende kwaliteit om tot een herkenning te komen. De rechtbank volgt die lezing niet. De rechtbank vindt de beelden van voldoende kwaliteit om [medeverdachte K.E.] op te herkennen en de rechtbank heeft [medeverdachte K.E.] op de beelden herkend. De verklaring van [medeverdachte K.E.] dat hij niet de persoon is op de beelden op 28 juni 2021 en dat hij die dag thuis bij zijn moeder was, vindt de rechtbank alleen al om die reden niet aannemelijk geworden. Voorts acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte K.E.] , dat hij die dag bij zijn moeder was, niet aannemelijk omdat twee telefoonnummers van [medeverdachte K.E.] die dag om 20:17 uur, 21:20 uur en van 22:11 uur tot en met 22:20 uur gebruik hebben gemaakt van zendmasten in Amsterdam. 1 juli 2021 – aanwezigheid [medeverdachte L.S.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] in de omgeving van de plaats delict Op camerabeelden van 1 juli 2021 is, mede blijkens eigen waarneming van de rechtbank, te zien dat om 19:33 uur drie mannen over de Leidsestraat lopen. De rechtbank stelt vast dat deze personen [medeverdachte L.S.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] zijn. Zij lopen langs de McDonalds op de kruising Leidsestraat en de Lange Leidsedwarsstraat, in de richting van het Leidseplein. Op camerabeelden van de parkeergarage is te zien dat [medeverdachte L.S.] , [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] om 19:47 uur langs de ingang van de parkeergarage lopen en dat zij alle drie naar binnen kijken tijdens het voorbijlopen. Twee minuten later, om 19:49 uur, voert [medeverdachte C.W.] met zijn telio-nummer vanuit de gevangenis een telefoongesprek met [medeverdachte E.O.] en [medeverdachte G.M.] . In het gesprek wordt het volgende gezegd: [medeverdachte C.W.] : waar zijn jullie mee bezig. Met kijken naar werk? [medeverdachte G.M.] : we zijn hier... “observation” [medeverdachte C.W.] : “observation” [medeverdachte E.O.] : ja, “observation” voor “celebration” om te kunnen blijven kloten [medeverdachte C.W.] : het is zo meteen zover,..... een maand is al voorbij (…) [medeverdachte C.W.] : Hebben jullie al iets te doen gekregen? [medeverdachte E.O.] : hoor je niet dat we op “observation voor celebration” zijn [medeverdachte C.W.] : een andere of hetzelfde? [medeverdachte E.O.] : op hetzelfde nog steeds Vervolgens is in het gesprek te horen dat [medeverdachte G.M.] op de achtergrond een ander telefoongesprek voert met een onbekende man, waarbij de telefoon op speaker staat. Het volgende wordt gezegd: [medeverdachte G.M.] : ja, we hebben gezien wat je net gestuurd hebt.. die man is niet hier in de buurt toch? Onbekende man: Nee, hij is niet hier in de buurt. Maandag en dinsdag... De rechtbank stelt vast dat 1 juli 2021 op een donderdag was en dat de maandag en dinsdag daarop, 5 en 6 juli 2021 betreffen. Op 1 juli 2021 om 22:21 uur heeft [medeverdachte L.S.] in zijn telefoon de zoektermen ingevoerd ‘wat speelt tussen peter r en kroongetuige [betrokkene 13] en om 22:27 uur ‘peter r de vries beveiliging’. In de dagen erna, op 2, 3 en 5 juli 2021, heeft [medeverdachte L.S.] onder meer de volgende zoektermen ingevoerd: 2 juli 2021 om 07:42 uur rtl boulevard adres 2 juli 2021 om 08:25 uur Leidseplein Amsterdam 2 juli 2021 om 08:26 uur Mcdonald's Amsterdam Leidsestraat 2 juli 2021 om 14:08 uur rtl boulevard peter r de vries 3 juli 2021 om 11:51 uur mcdonalds leidsestraat 3 juli 2021 om 12:07 uur parking de hoofdstad ingang en uitgangspunt 5 juli 2021 om 16:31 uur hoe laat begint boulevard 5 juli 2021 – de dag voor het neerschieten van Peter R. de Vries Het ophalen van de Renault Kadjar in Utrecht Op 5 juli 2021 om 10:30 uur en om 10:40 uur belt [medeverdachte K.M.] naar het nummer van [betrokkene 14] . Om 10:58 uur wordt het kenteken van een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] , op naam van de vader van [betrokkene 14] (hierna: de auto van [betrokkene 14] ), in Tiel geregistreerd. Het nummer van [medeverdachte K.M.] straalt om 12:02 uur een zendmast aan in Best en het nummer van [betrokkene 14] straalt om 12:42 uur een zendmast aan in Boxtel, dat op ongeveer 13 kilometer afstand ligt van Best. Om 13:34 uur straalt het nummer van [medeverdachte K.M.] een zendmast aan in Tiel. Om 13:47 uur is er weer een kentekenregistratie van de auto van [betrokkene 14] in Tiel. Om 14:48 uur ontvangt [medeverdachte K.M.] van het nummer dat volgens de politie bij [betrokkene 5] behoort, een SMS-bericht, met als inhoud het telefoonnummer van [medeverdachte K.W.] . Om 15:20 uur wordt de auto van [betrokkene 14] geregistreerd op de Groene Kruisweg in Rotterdam in de richting van Zuidplein en één minuut later straalt het nummer van [betrokkene 14] een zendmast aan die dekking geeft aan de Groene Kruisweg. Om 15:23 uur straalt het nummer van [medeverdachte K.M.] een zendmast aan in diezelfde omgeving en om 15:35 uur straalt het nummer van [medeverdachte K.M.] een zendmast aan die dekking geeft aan de Goereesestraat in Rotterdam. Twee minuten later straalt ook het nummer van [medeverdachte K.W.] een zendmast aan die dekking geeft aan de Goereesestraat. [betrokkene 14] heeft verklaard dat [medeverdachte K.M.] een oude vriend van hem is en dat hij samen met [medeverdachte K.M.] naar een autogarage in Best is gereden. [betrokkene 14] reed toen in zijn vaders auto en [medeverdachte K.M.] reed in een Golf. [betrokkene 14] heeft verklaard dat de auto van [medeverdachte K.M.] bij de autogarage in Best is achtergelaten en dat zij daarna samen in de auto van [betrokkene 14] naar Rotterdam zijn gegaan. [betrokkene 14] heeft voorts verklaard dat zij een Pool hebben afgezet in Utrecht. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte K.M.] en [betrokkene 14] , nadat zij naar een autogarage in Best zijn gereden en weer terug naar Tiel zijn gegaan, samen vanuit Tiel naar Rotterdam zijn gereden. Om 15:23 belt [medeverdachte K.M.] naar het nummer van de vrouw van [medeverdachte K.E.] en vervolgens belt [medeverdachte K.M.] tussen 15:28 uur en 15:49 uur vier maal naar het nummer van [medeverdachte K.E.] . Het nummer van [medeverdachte K.E.] straalt op dat moment een zendmast aan die dekking geeft aan zijn woonadres, [adres] . Zoals reeds is beschreven in paragraaf 4.3.1 stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte K.M.] tussen 15:35 uur en 15:49 uur de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer * 1212 aan [medeverdachte K.W.] heeft overhandigd in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte K.W.] , de Goereesestraat 29B in Rotterdam , en dat [medeverdachte K.W.] vanaf dat moment gebruik heeft gemaakt van die telefoon. Om 15:59 uur wordt de Google Pixel telefoon voor het eerst sinds 22 juni 2021 geactiveerd en op dat moment maakt de telefoon gebruik van de zendmast het Afrikaanderplein in Rotterdam. Op datzelfde moment wordt de auto van [betrokkene 14] geregistreerd op de Strevelsweg in Rotterdam, komende vanuit de richting van de Pleinweg en gaande in de richting van de Stadionweg. Het Afrikaanderplein ligt op ongeveer 2 kilometer afstand van de Strevelsweg. Om 16:04 uur belt [medeverdachte K.M.] opnieuw naar [medeverdachte K.E.] . [medeverdachte K.M.] maakt op dat moment gebruik van een zendmast op de Stadionweg in Rotterdam. Eén minuut later wordt de auto van [betrokkene 14] geregistreerd op de Stadionweg in Rotterdam. [medeverdachte K.E.] maakt op dat moment gebruik van een zendmast op de Culemborgseweg 6a in Buren. Om 16:05 uur stuurt [medeverdachte K.M.] naar [medeverdachte K.E.] een SMS-bericht met als inhoud: “Miamidreef”. Om 16:51 uur belt [medeverdachte K.M.] naar [medeverdachte K.E.] en op dat moment maken beide nummers gebruik van zendmasten die dekking geven aan de Miamidreef in Utrecht. Om 16:56 uur wordt [betrokkene 14] gebeld en op dat moment staat zijn nummer eveneens onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de Miamidreef in Utrecht. Om 18:41 uur respectievelijk 18:42 uur staan de nummers van [medeverdachte K.M.] en [betrokkene 14] onder bereik van dezelfde zendmast in Ochten. [medeverdachte K.E.] heeft op de zitting van 7 juni 2022 verklaard dat hij de auto waarin hij op 6 juli 2021 is aangehouden (de Renault Kadjar) een dag eerder heeft gekregen van een kennis wiens naam hij niet wil noemen. [medeverdachte K.E.] en [medeverdachte K.W.] gaan met de Renault Kadjar naar Alphen aan den Rijn om wapens op te halen Om 17:01 uur wordt de Renault Kadjar gestart en op dat moment staat de auto onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de Miamidreef. Om 17:06 uur begint het chatgesprek tussen Matrix id-nummers * 1212 , op dat moment in gebruik bij [medeverdachte K.W.] , en *4299, in gebruik bij [medeverdachte K.M.] . Het gesprek tussen [medeverdachte K.M.] en [medeverdachte K.W.] , zowel op 5 juli als op 6 juli 2021, wordt gevoerd in de Poolse taal. De volgende chatberichten – die zijn vertaald naar het Nederlands – worden verstuurd: 17:06 uur [medeverdachte K.W.] : Oké 17:10 uur [medeverdachte K.W.] : Ik weet alles 17:17 uur [medeverdachte K.W.] : Stuur me de foto’s Allemaal 17:21 uur [medeverdachte K.W.] : Van die lul 17:34 uur [medeverdachte K.W.] : We zijn al aan het rijden In de Google Pixel telefoon die op dat moment werd gebruikt door [medeverdachte K.W.] zijn drie fotobestanden aangetroffen waarop Peter R. de Vries te zien is. De fotobestanden hebben tijdstempels van 5 juli 2021 om 17:24 uur. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat [medeve

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.