vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Team Familie & Jeugd Parketnummer: 13.337403.21 Datum uitspraak: 7 mei 2024 Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004, wonende op het adres [adres]. 1Onderzoek ter terechtzitting De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2024. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.M. Kolman en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.G. van Wijk, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) naar voren is gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 december 2020 tot en met 14 december 2021 te Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te gemeente Zaandam en/of te gemeente Purmerend en/of te gemeente Landsmeer en/of te gemeente Wormerveer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde: hij op of omstreeks 14 december 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,52 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs De rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel, dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe als volgt. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde: De rechtbank stelt met de verdediging en de officier van justitie vast dat het bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij drugshandel bestaat uit de belastende verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Deze verklaringen over verdachte zijn afgelegd naar aanleiding van enkelvoudige fotoconfrontaties. Niet op enige andere manier zijn in het uitvoerige politieonderzoek aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte naar voren gekomen. Voorop gesteld staat geen rechtsregel eraan in de weg om voor het bewijs gebruik te maken van de verklaring van een getuige die de dader van een strafbaar feit zegt te herkennen op een hem bij een enkelvoudige fotoconfrontatie getoonde foto. Wel is de rechtbank, met de verdediging van oordeel dat herkenningen die tot stand komen naar aanleiding van enkelvoudige fotoconfrontaties met grote behoedzaamheid moeten worden bezien en op hun betrouwbaarheid dienen te worden getoetst voordat deze daadwerkelijk tot bewijs worden gebezigd. In algemene zin geldt dat van deze manier van confronteren een suggestieve werking uitgaat. Ten aanzien van getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] heeft de verdediging niet het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen. Gelet hierop en gelet op de zwakke bewijswaarde van de verklaringen als gevolg van de enkelvoudige fotoconfrontaties, heeft de verdediging aangevoerd dat deze getuigenverklaringen, om schending van artikel 6 EVRM te voorkomen, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1418) blijkt dat de voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, niet alleen van betekenis is bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het arrest van 4 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1015) is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.