vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Vonnis van 19 juni 2024 Op de rol gevoegde zaken in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van de stichting STICHTING EMISSION CLAIM, gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. C. Jeloschek, e i s e r e s, tegen 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht RENAULT S.A., gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk), advocaat mr. Y. Borrius, 2. de naamloze vennootschap RENAULT NEDERLAND N.V., gevestigd te Schiphol-Rijk, advocaat mr. Y. Borrius, g e d a a g d e n, [tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend] en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van de stichting STICHTING CAR CLAIM, gevestigd te Rotterdam, advocaat mr. P. Haas, e i s e r e s, tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht RENAULT S.A.S., gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk), advocaat mr. Y. Borrius, 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht AUTOMOBILE DACIA S.A., gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië), advocaat mr. Y. Borrius, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RENAULT-NISSAN B.V., gevestigd te Amsterdam, verstek verleend, en tegen gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82, DE AUTODEALERS, advocaat mr. R.J. van der Weijden, g e d a a g d e n, en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030 de stichting, STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE, gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. J.D. Edixhoven, e i s e r e s, tegen de hiervoor genoemde gedaagden 1, 2, 4, 5 en 7 t/m 43 en 48 t/m 82. Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd. Gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd. De zaken zullen hierna afzonderlijk de SEC-zaak, de SCC-zaak en de SDEJ-zaak worden genoemd. 1De procedure in de SEC-zaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 10 april 2024, de akte overlegging aangepaste financieringsovereenkomst van SEC, met een productie, de antwoordakte van Renault c.s. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De procedure in de SCC-zaak 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 10 april 2024. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3. De procedure in de SDEJ-zaak 3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 10 april 2024, de akte overlegging overeenkomst Litigo van SDEJ, met een productie, de antwoordakte van Renault c.s., de antwoordakte van de Autodealers. 3.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 4De verdere beoordeling in de SEC-zaak 4.1. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 10 april 2024 SEC in de gelegenheid gesteld om twee artikelen in haar financieringsovereenkomst aan te passen. Het betreft de artikelen 6.3 en 10.2 van de financieringsovereenkomst. SEC heeft haar financieringsovereenkomst op deze punten aangepast, door deze bepalingen te verwijderen. Renault c.s. heeft hierover geen opmerkingen gemaakt. Ambtshalve ziet de rechtbank ook geen bezwaren meer. De conclusie is dat SEC ontvankelijk is. in de SDEJ-zaak 4.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 10 april 2024 SDEJ in de gelegenheid om gesteld een volledige bijlage bij de financieringsovereenkomst, inhoudende de overeenkomst met Litigo, in het geding te brengen. SDEJ heeft de volledige bijlage in het geding gebracht. Met inachtneming van de door Renault c.s. en de Autodealers gemaakte opmerkingen, komt de rechtbank tot de conclusie dat ook SDEJ ontvankelijk is. in alle zaken 4.3. De slotsom is dat alle drie de stichtingen ontvankelijk zijn. Dit betekent dat alle drie de zaken verder inhoudelijk zullen worden behandeld. 5Bevelen op grond van artikel 22 Rv 5.1. De rechtbank zal een oordeel moeten geven over de vraag die in dit geding centraal staat, namelijk of zich verboden manipulatie-instrumenten bevinden in de voertuigen met dieselmotor die Renault in de relevante periode op de Nederlandse markt heeft gebracht.Renault ontkent tot op heden dat sprake is van de aanwezigheid van verboden manipulatie-instrumenten. Om dat te kunnen beoordelen zal allereerst moeten komen vast te staan of manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en zo ja welke, en zal vervolgens beoordeeld moeten worden of deze toelaatbaar zijn. 5.2. Het HvJ EU heeft in het arrest van 17 december 2020, C‑693/18, ECLI:EU:C:2020:1040 (Manipulatie-instrument in dieselmotoren) als volgt geoordeeld: “1) Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie moet aldus worden uitgelegd dat software die in het motormanagementsysteem is ingebouwd of die op dit systeem inwerkt, een „constructieonderdeel” in de zin van deze bepaling vormt, voor zover de software op de werking van het emissiecontrolesysteem inwerkt en de doelmatigheid ervan vermindert. 2) Artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „emissiecontrolesysteem” in de zin van deze bepaling ziet op zowel de technologieën en de zogenoemde uitlaatgasnabehandelingsstrategie die de emissies achteraf – te weten na de vorming ervan – beperken als de technologieën en de strategie die, net als het systeem van uitlaatgasrecirculatie, de emissies vooraf – te weten tijdens het ontstaan ervan – beperken. 3) Artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat parameters herkent die verband houden met het verloop van de in deze verordening bedoelde goedkeuringsprocedures, met de bedoeling de prestaties van het emissiecontrolesysteem tijdens deze procedures te verbeteren teneinde de goedkeuring van het voertuig te verkrijgen, een „manipulatie-instrument” in de zin van deze bepaling is, zelfs indien een dergelijke verbetering sporadisch ook kan worden waargenomen onder normale gebruiksomstandigheden. 4) Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument als aan de orde in het hoofdgeding, dat de prestaties van het systeem ter beheersing van de emissies van voertuigen tijdens de goedkeuringsprocedures systematisch verbetert om de bij deze verordening vastgelegde emissiegrenswaarden na te leven en aldus de goedkeuring van deze voertuigen te verkrijgen, niet kan vallen onder de in deze bepaling vastgestelde uitzondering op het verbod van dergelijke instrumenten die betrekking heeft op de bescherming van de motor tegen schade of ongevallen en op de veilige werking van het voertuig, ook al helpt het instrument veroudering of vervuiling van de motor te voorkomen.” 5.3. Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-128/20, ECLI:EU:C:2022:570 (GSMB Invest/Auto Krainer) als volgt geoordeeld: “1) Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, een „manipulatie-instrument” in de zin van dit artikel 3, punt 10, vormt. 2) Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, niet onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering op het verbod op het gebruik van dergelijke instrumenten kan vallen louter omdat met dit instrument onderdelen zoals de uitlaatgasrecirculatieklep, de uitlaatgasrecirculatiekoeler en de roetfilter voor dieselvoertuigen worden ontzien, tenzij wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s op schade of defecten aan de motor ten gevolge van een zodanig gebrekkige werking van een van deze onderdelen dat daardoor tijdens het rijden met een met dat systeem uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.” 5.4. Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-134/20, ECLI:EU:C:2022:571 (IR/Volkswagen) als volgt geoordeeld: [1 en 2: gelijk aan het in de vorige overweging genoemde arrest] 3) Artikel 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 715/2007, gelezen in samenhang met artikel 3, punt 10, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een manipulatie-instrument in de zin van deze laatste bepaling ná het in het verkeer brengen van een voertuig, bij wijze van herstelling in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, werd geïnstalleerd, niet van belang is ter beoordeling of het gebruik van dit instrument op grond van dit artikel 5, lid 2, verboden is.” 5.5. Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-145/20, ECLI:EU:C:2022:572 (DS/ Porsche Inter Auto en Volkswagen) als volgt geoordeeld: “Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: 1) Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat een motorvoertuig dat binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, valt, niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig weliswaar een geldige EG-typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, maar uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is. 2) [gelijk aan de beslissing onder 2 in de arresten van 14 juli 2022, C-128/20 en C-134/20, ECLI:EU:C:2022:570 en 571] 3) Artikel 3, lid 6, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat een gebrek aan overeenstemming dat erin bestaat dat een voertuig is uitgerust met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 verboden is, niet kan worden aangemerkt als een gebrek „van geringe betekenis”, zelfs al zou de consument dat voertuig ook hebben gekocht wanneer de aanwezigheid van dit manipulatie-instrument en de werking ervan hem bekend waren geweest.” 5.6. De rechtbank leidt uit de genoemde beslissingen van het HvJ EU af dat ook als een typegoedkeuring is verleend, los daarvan beoordeeld moet worden of sprake is van een verboden manipulatie-instrument. Dat oordeel is in ieder geval nodig om te beoordelen of het betrokken voertuig de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten. Een voertuig met een verboden manipulatie-instrument voldoet niet aan die norm en dit is geen gebrek van geringe betekenis. De beoordeling of sprake is van een of meer verboden manipulatie-instrumenten is in deze zaak aan de orde voor zover de vorderingen zich richten tegen de Autodealers omdat jegens hen een beroep wordt gedaan op het niet beantwoorden van het geleverde voertuig aan de overeenkomst. Maar de vraag of er al dan niet verboden manipulatie-instrumenten aanwezig zijn zal in deze zaak eveneens moeten worden beoordeeld om te kunnen beslissen over de vorderingen jegens Renault c.s. op grond van onrechtmatige daad. 5.7. Daarbij kan uit de genoemde rechtspraak worden afgeleid dat onder een verboden manipulatie-instrument niet alleen moet worden verstaan een instrument dat parameters herkent die verband houden met het verloop van de in de Emissieverordening bedoelde goedkeuringsprocedure, maar elk instrument dat ertoe leidt dat het emissiecontrolesysteem “onder normale verkeersomstandigheden” wordt uitgeschakeld of dat de werking ervan wordt verminderd. Dat is alleen anders als dat uitschakelen of die verminderde werking nodig is voor “het voorkomen van acute risico’s op schade of defecten aan de motor”. Dergelijke acute risico’s zijn uitzonderlijk. Deze uitzondering rechtvaardigt in ieder geval niet dat een manipulatie-instrument het emissiecontrolesysteem onder “normale verkeersomstandigheden” steeds uitschakelt of de werking ervan vermindert. 5.8. In dit geval hebben eisers aan de hand van diverse onderzoeken, waaronder het Heitz-rapport voldoende gemotiveerd dat zich mogelijk manipulatie-instrumenten in Renault-voertuigen bevinden en dat die mogelijk verboden zijn. Het is Renault als fabrikant bekend of manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en zo ja hoe deze zijn ingesteld. De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het HvJ EU af dat de rechtbank zal moeten beoordelen of die instellingen zodanig zijn dat het manipulatie-instrument al dan niet verboden is. 5.9. Het uitgangspunt van de Europese regelgeving is dat een fabrikant een type dat hij in serie wil gaan bouwen ter keuring aanbiedt, zodat kan worden vastgesteld of dit type voldoet aan de eisen van de Emissieverordening en dat vervolgens na een typegoedkeuring exemplaren van dit type op de markt worden gebracht. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de verleende typegoedkeuringen. Zij neemt als uitgangspunt dat de voertuigen die met deze typegoedkeuring overeenstemmen, in ieder geval op het punt van het voldoen aan de Emissieverordening aan elkaar gelijk zijn en dus een identieke hardware en software hebben als het gaat om het emissiecontrolesysteem. Voor het geval Renault stelt dat dit niet het geval is, dient zij toe te lichten op grond van welke bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.