RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/133409-24 Raadkamernummer: 24-011723 BESCHIKKING in raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 61 van de Overleveringswet (OLW) jo. artikel 62a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van [klager], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de [detentieadres], hierna te noemen “klager”, tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 19 april 2024, tot het opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv. 1Procesgang Een eerder bezwaarschrift tegen het bevel beperkingen is door deze rechtbank op 1 mei 2024 ongegrond verklaard. Het nu voorliggende bezwaarschrift is gedateerd op 14 mei 2024 en is op diezelfde datum ter griffie van deze rechtbank ingediend. De rechtbank heeft op 5 juni 2024 klager, mr. W.B.O. van Soest (advocaat te Rotterdam) en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in besloten raadkamer gehoord. 2Feiten Op 18 april 2024 hebben de Duitse justitiële autoriteiten een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) tegen klager uitgevaardigd. Zijn overlevering wordt gevraagd om hem in Duitsland te vervolgen op grond van de verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten. Klager is op 17 april 2024 op grond van de OLW aangehouden. Klager verblijft sindsdien in overleveringsdetentie uit hoofde van de OLW. De officier van justitie heeft bij bevel van 19 april 2024 bevolen dat in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen worden getroffen. Die maatregelen houden in dat klager zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen bezoek mag ontvangen, dat hij zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen telefonisch contact – middellijk noch onmiddellijk – mag hebben met anderen, dat hij geen brieven mag verzenden of ontvangen zonder uitdrukkelijke toestemming van en na controle door of vanwege de officier van justitie en dat hij geen enkel contact mag hebben – mondeling noch schriftelijk noch telefonisch, middellijk noch onmiddellijk – met medegedetineerden. Het is klager voorts niet toegestaan gebruik te maken van een computer en mobiele telefoon. De beperkingen gelden niet ten aanzien van het contact met zijn raadsman. Verder geldt de beperking met betrekking tot het bezoek evenmin ten aanzien van de politie. De beperkingen met betrekking tot telefonisch en briefcontact gelden evenmin ten aanzien van justitiële autoriteiten en de commissie van toezicht. Op 19 april 2024 heeft de officier van justitie een vordering ex artikel 23 van de OLW ingediend bij deze rechtbank. Deze vordering is op 5 juni 2024 door de rechtbank behandeld. 3Inhoud van het bezwaarschrift Het bezwaarschrift, dat in raadkamer nader is toegelicht door de raadsman, strekt tot opheffing van de beperkingen. Klager verblijft nu al weken in beperkingen en dat levert hem stress op. De Duitse autoriteiten geven geen concrete reden voor het laten voortduren van de beperkingen. 4Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard dient te worden, onder andere nu de Duitse autoriteiten op 15 mei 2024 én op 1 juni 2024 aangegeven hebben dat de beperkingen nog steeds noodzakelijk zijn. Het verzoek de beperkingen te handhaven is niet onredelijk. 5Beoordeling door de rechtbank Wettelijke grondslag De officier van justitie moet bevoegd worden geacht tot het opleggen van beperkingen. Artikel 61 van de OLW bepaalt namelijk dat de klager die op basis van deze wet van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt behandeld als een verdachte die krachtens Sv aan een overeenkomstige maatregel is onderworpen. Aangenomen dient te worden dat, ook al wordt artikel 62 Sv niet genoemd bij de bepalingen die in artikel 30 van de OLW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hiermee artikel 62 Sv van overeenkomstige toepassing is in geval van overleveringsdetentie. De officier van justitie moet dan ook in beginsel bevoegd worden geacht tot het treffen van de in artikel 62 Sv bedoelde maatregelen, waaronder het nemen van vingerafdrukken en foto’s, maar ook het opleggen van beperkingen, krachtens een rechtshulpverzoek van de betreffende buitenlandse autoriteit, die om overlevering van klager heeft gevraagd. De uitvoering van buitenlandse rechtshulpverzoeken is geregeld in de eerste en derde afdeling van Boek 5, Titel 1, Sv. Artikel 5.1.1, tweede lid, Sv luidt: Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken van daartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteiten van een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, verzoeken ter bepaling van de aanwezigheid van wederrechtelijk verkregen voordeel, het toezenden van documenten, dossiers of stukken, of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden. Artikel 5.1.4, tweede en derde lid, Sv luiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.