vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/130375-24 Datum uitspraak: 26 juni 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres: [adres], [woonplaats]. 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2024 en mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de politierechter van 28 mei 2024 zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. Verdachte was niet bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. van Duijn, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. H.E. Brink, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 maart 2024 te Amstelveen schuldig heeft gemaakt aan de belediging van de politieagenten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] door te zeggen: "Kankerhoeren. Vieze vuile kankerhonden". De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie Het standpunt van de raadsman De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. In de kern komt het standpunt erop neer dat sprake is van een ‘flutzaak’ en dat mede daarom op grond van een redelijke belangenafweging en met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit niet tot strafrechtelijke vervolging had moeten worden overgegaan. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte. Het oordeel van de rechtbank In artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel vastgelegd. Dit beginsel houdt in dat het Openbaar Ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten, de in het geding zijnde belangen dient af te wegen. Deze belangenafweging staat, in het geval dat tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechtbank. Slechts indien het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van een behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om de conclusie te trekken dat het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot vervolging van de verdachte had kunnen over gaan. Uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal volgt dat de verbalisanten een melding krijgen van een mogelijke mishandeling. Wanneer zij ter plaatse komen zien zij een persoon in een Fiat 500 die gewond is aan zijn bovenlip. De melder wijst de mogelijke verdachte van de mishandeling aan, zijnde verdachte. De verbalisanten nemen hierop waar dat er rode vlekken op de trui van verdachte te zien zijn en dat zijn knokkels rood zijn. Op basis van deze gegevens is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanleiding bestond om verdachte op dat moment aan te merken als verdachte van mishandeling. De daaropvolgende escalatie komt voort uit het recalcitrante gedrag van verdachte, die weigert mee te werken aan zijn aanhouding en zich onnodig grievend uitlaat tegen de verbalisanten. Dat bij de aanhouding geweld is gebruikt door middel van het aanleggen van de transportboeien en het naar de grond brengen en fixeren van verdachte, is gelet op de weinig coöperatieve houding van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd geweest met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hiermee is door de verbalisanten dan ook niet buiten de rechtmatige uitoefening van hun bediening getreden. Dat verdachte de verbale uitingen alleen gedaan heeft vanwege de hardhandige aanpak van de verbalisanten en/of te strak zittende handboeien, zoals door de verdediging is betoogd, is gelet op het gehele omschreven gedrag van verdachte niet aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden geenszins sprake is van een ‘flutzaak’ en dat ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken op grond waarvan de hoge drempel die voor een verzoek tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie geldt, wordt gehaald. Het verweer wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging. 4Bewijsoverweging 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.