ECLI:NL:RBAMS:2024:3855
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/740346 / HA RK 23-308 Beschikking van 27 juni 2024 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats 1] (Zuid-Afrika), verzoekende partij (hierna: [verzoeker]), advocaat: mr. J.A. Endtz te Amsterdam, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats 2] (Italië), verwerende partij (hierna: [verweerder]), advocaat: mr. D.J.J. Folgering te 's-Hertogenbosch.
1De procedure 1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
1.2.
In de tussenbeschikking is opgemerkt dat De Groot Evers Gerechtsdeurwaarders en Incassobureau (hierna: de deurwaarder) en de vennootschap, [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) abusievelijk niet voor de mondelinge behandeling zijn opgeroepen. Vervolgens is overwogen dat na de bewijslevering, zoals bepaald in de tussenbeschikking, zal worden beslist of een nadere mondelinge behandeling zal worden bepaald met oproeping van de deurwaarder en [bedrijf] .
1.3.
Per e-mailbericht van 30 mei 2024 heeft de deurwaarder desgevraagd het volgende meegedeeld: ‘Indien de verkoop kan worden toegewezen zoals omschreven in het door mr. Endtz ingediende verzoekschrift dan is een zitting naar onze mening niet noodzakelijk. Mocht de wederpartij inhoudelijk bezwaar maken tegen de voorgestelde wijze van verkoop dan achten wij een zitting wel alsnog noodzakelijk.’ 1.4.
Vervolgens hebben de raadslieden van partijen desgevraagd – na kennisname van bovenstaand bericht van de deurwaarder – over en weer aangegeven geen prijs te stellen op een nadere mondelinge behandeling in aanwezigheid van de deurwaarder. Namens [verzoeker] is toegelicht dat dit eveneens geldt voor de bestuurders van [bedrijf] , [verzoeker] en [naam 1] (hierna: [naam 1]).
1.5.
Tenslotte is beschikking bepaald op heden.
2De verdere beoordeling van het verzoek 2.1. [verzoeker] heeft, om het onder 5.7 en 5.12 van de tussenbeschikking bedoelde bewijs te leveren, een akte genomen en bewijsstukken overgelegd. [verweerder] heeft daarop geen antwoordakte genomen.
2.2.
De rechtbank verwerpt op basis van de overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting het standpunt van [verweerder] dat Integrated Technology Services Sh.p.k. (hierna: ITS) naar Albanees recht niet rechtsgeldig door [naam 2] (hierna: [naam 2]) is vertegenwoordigd bij de cessie aan [verzoeker] van de vordering van in totaal € 463.000,- op [verweerder] . Het volgende is daartoe redengevend.
2.3.
ITS had ten tijde van de cessie naast [naam 2] ook [naam 3] (hierna: [naam 3]) als bestuurder. [verweerder] heeft aangevoerd dat [naam 2] naar Albanees recht ITS slechts kon vertegenwoordigen met medewerking van [naam 3] . Onder 5.5 van de tussenbeschikking is overwogen dat deze vraag naar Albanees recht moet worden beantwoord volgens de incorporatieleer. Uit de door [verzoeker] overgelegde legal opinion van prof. dr. S. Mengjesi, hoogleraar aan de Universiteit van Tirana in Albanië, volgt dat [naam 2] wel degelijk zelfstandig bevoegd was om ITS te vertegenwoordigen. Concreet staat in de (Engelse vertaling van de) legal opinion dat naar Albanees recht uit de overgelegde statuten en benoemingsbesluiten het volgende volgt: ‘Both administrators had the right to represent the company independently, meaning that each could take actions and decisions without the approval of the other administrator’. Mengjesi concludeert dat de op 3 augustus 2020 door één bestuurder ondertekende cessieakte geldig is.
2.4.
Ook het verweer van [verweerder] ten aanzien van de executiebevoegdheid wordt verworpen. Volgens [verweerder] was niet voldaan aan het bepaalde in artikel 431a Rv, namelijk dat bij de overgang van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander, betekening van die overgang zal moeten plaatsvinden aan de schuldenaar vóórdat die ander tot executie kan overgaan. In de tussenbeschikking heeft de rechtbank [verzoeker] opgedragen het aangeboden afleverbewijs te overleggen waaruit moet blijken dat de relevante stukken inzake de overgang van executiebevoegdheid op 6 september 2023 aan [verweerder] zijn overhandigd. [verzoeker] heeft vervolgens het bedoelde afleverbewijs overgelegd. Daaruit blijkt dat de notariële akte en cessiemededeling zowel in het Nederlands als in het Italiaans op 6 september 2023 aan het adres van [verweerder] in [woonplaats 2] , Italië, zijn betekend conform artikel 18 van de Europese betekeningsverordening.
2.5.
Het voorgaande betekent dat ITS een bij notariële akte vastgelegde vordering op [verweerder] van in totaal € 463.000,- rechtsgeldig aan [verzoeker] heeft gecedeerd en dat [verzoeker] de overdracht van de executiebevoegdheid op 6 september 2023 aan [verweerder] heeft betekend. Vervolgens heeft [verzoeker] op 7 september 2023 rechtsgeldig beslag gelegd op de [bedrijf] -aandelen. Blijkens de beslagexploten zijn de voorgeschreven formaliteiten en termijnen hierbij in acht genomen.
2.6.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van [verzoeker] als hierna te melden wordt toegewezen. De rechtbank zal ingevolge artikel 474g lid 3 Rv bepalen dat en onder welke voorwaarden tot verkoop en overdracht van de aandelen kan worden overgegaan. Een verkoop tegen de reële waarde, zoals verzocht, doet voldoende recht aan de belangen van [verweerder] om met een zo hoog mogelijke opbrengst zijn schuld te voldoen. Al met al bestaat geen reden om af te wijken van de door [verzoeker] verzochte voorwaarden, met dien verstande dat het aan de deurwaarder wordt overgelaten of hij de termijn van 6 maanden voor de onderhandse verkoop volmaakt. De praktijk wijst uit dat het voor de deurwaarder belemmerend kan werken als een onderhandse verkoopfase stokt en de deurwaarder de opgedragen termijn van deze fase moet uitzitten voordat overgestapt kan worden naar de volgende fase van openbare verkoop. De rechtbank zal daarom de deurwaarder toestaan de onderhandse verkoopfase eerder af te breken en vervroegd over te gaan tot openbare verkoop, indien de deurwaarder dat naar eigen inzicht nodig acht voor een voortvarend verloop van de executie.
2.7. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op:
3.10. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 2.334, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, 3.11. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht, 3.12. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.P. Pompe, rechter, bijgestaan door mr. M.A.A. van Achterberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2024.
Verordening (EU) 2020/1784.