← Nederland

ECLI:NL:RBAMS:2024:388

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.293363-23 (EAB II) Datum uitspraak: 25 januari 2024 UITSPRAAK op de vordering van 9 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 oktober 2019 door the Regional Court in Piotrków Trybunalski (Polen; hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres opgeëiste persoon] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 januari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een: vonnis van the District Court in Piotrków Trybunalski van 28 maart 2019, referentie: II K 2/19; vonnis van the District Court in Piotrków Trybunalski van 10 april 2019, referentie: II K 594/

  1. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van: een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat (II K 2/19). Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 27 dagen; een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden (II K 594/19). Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 2/19 moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de informatie van de Poolse autoriteiten dat hij in persoon zou zijn gedagvaard, niet kan kloppen, aangezien hij in 2019 in Oostenrijk in detentie verbleef. Van een dagvaarding in persoon aan de opgeëiste persoon kan dan ook geen sprake zijn. De opgeëiste persoon is bij verstek veroordeeld, zonder dat hij op de hoogte is geraakt van de zittingsdatum in Polen. Overlevering zou daarom een schending zijn van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, aldus de raadsvrouw. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet op het vonnis met kenmerk II K 2/19 van toepassing is, omdat de dagvaarding voor de procedure die tot dat vonnis heeft geleid, in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. Oordeel van de rechtbank II K 2/19 Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie van 9 januari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon op 21 januari 2019 verbleef op het adres Aresztu Śledczego w Piotrkowie Trybunalskim, zijnde een Poolse detentie-instelling, en dat de naar dat adres verzonden dagvaarding voor de zitting in de procedure II K 2/19 aldaar door hem in ontvangst is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgeëiste persoon hiermee anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van de datum en de plaats van het proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces. Daarbij is de opgeëiste persoon er, blijkens het EAB, van in kennis gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en doet de weigeringsgrond van artikel 12 zich niet voor. De enkele, niet onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon dat hij ten tijde van het uitreiken van de dagvaarding in Oostenrijk gedetineerd zat, is - mede gelet op het vertrouwensbeginsel - onvoldoende om niet van de juistheid van de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten uit te gaan. De weigeringsgrond in artikel 12 OLW is, gelet op het voorgaande, niet van toepassing. II K 594/18 Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig was op de zitting van 10 april 2019 die heeft geleid tot het vonnis II K 594/
  2. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 4Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: diefstal; poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. 5Verzoek om aanhouding Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om de behandeling van het EAB aan te houden, in afwachting van een in Polen ingestelde procedure tot het verkrijgen van een verzamelvonnis. De mogelijkheid bestaat immers dat het EAB, gelet op het te verwachten verzamelvonnis, zal worden ingetrokken door de uitvaardigende justitiële autoriteit, waarmee de grondslag van de vordering van het openbaar ministerie zou komen te vervallen. Daarbij leert de praktijk dat het succes van een dergelijk cumulatieverzoek afneemt, indien de executie – nadat overlevering heeft plaatsgevonden – al is aangevangen. Gelet op het grote belang van de opgeëiste persoon bij een cumulatief vonnis, moet de beslissing op voornoemd verzoek dan ook worden afgewacht, aldus de raadsvrouw. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek. In de overleveringsprocedure dient te worden beslist op het voorliggende EAB, mede gelet op het verstrijken van de termijn. Het is de officier van justitie daarbij ambtshalve bekend dat het geregeld voorkomt dat vonnissen ook nog worden samengevoegd nadat opgeëiste personen inmiddels zijn overgeleverd en in Polen zijn gedetineerd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat op dit moment geen sprake is van een verzamelvonnis en dat de vonnissen die ten grondslag liggen aan het EAB voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn. Het is niet duidelijk of, en zo ja, wanneer een verzamelvonnis zal worden gewezen. Daarmee is ook niet concreet of, en zo ja, wanneer het EAB zou worden ingetrokken. Mededelingen hierover van de zijde van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontbreken en ook een datum waarop het cumulatieverzoek in Polen behandeld zou worden, ontbreekt. Daarbij is de rechtbank gehouden binnen de daarvoor geldende termijnen op het overleveringsverzoek te beslissen. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het EAB af. De stelling dat de kans op een succesvol cumulatieverzoek zou afnemen nadat overlevering reeds heeft plaatsgevonden, is niet onderbouwd en het is de rechtbank ook ambtshalve niet bekend dat dit het geval zou zijn. Deze stelling geeft dan ook geen aanleiding anders te beslissen. 6Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, en 7 OLW. 8Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Piotrków (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Scheijde, voorzitter, mrs. E. Biçer en A.K. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 januari
  3. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.