RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken zaaknummer / rekestnummer: C/13/734485 / FA RK 23-3557 (MO/CS) C/13/746744 / FA RK 24-1145 Beschikking d.d. 27 juni 2024 betreffende de echtscheiding in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de man, advocaat mr. G. Çekiç, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. M. Pinarbasi-Ilbay. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de man, ingekomen op 1 juni 2023; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het F9-formulier met bijlagen van de vrouw d.d. 10 oktober 2023 - het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullende verzoeken van de man; - een brief met bijlagen van de man d.d. 2 mei 2024 - een F9-formulier met bijlagen van de vrouw d.d. 7 mei 2024; - een brief met bijlagen van de man d.d. 7 mei 2024; - een akte uitlating en wijziging verzoek van de vrouw d.d. 14 mei 2024. 1.2. De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 14 mei 2024. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn verschenen partijen met hun advocaten, een tolk voor de vrouw alsmede mevrouw [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). 1.3. De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] , de zoon van partijen, gevraagd wat hij van het verzoek vindt. [minderjarige 1] heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven. 1.4. Na de mondelinge behandeling zijn, zoals afgesproken, nog de volgende stukken ontvangen: - een brief met bijlagen van de man d.d. 29 mei 2024; - een F9-formulier met bijlagen van de vrouw d.d. 30 mei 2024. Verder is nog binnengekomen: - een F9-formulier met als bijlage een taxatierapport d.d. 25 juni 2024. 2De feiten 2.1. De man en de vrouw zijn op 24 juli 2010 in Nevșehir (Turkije) met elkaar getrouwd. 2.2. De man heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. 2.3. De man en de vrouw zijn de ouders van: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] en - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] . 2.4. De man en de vrouw hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opmaken. 2.5. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 maart 2023 zijn de volgende voorlopige voorzieningen getroffen: de minderjarigen zijn aan de man toevertrouwd; een voorlopige zorgregeling is vastgesteld voor de twee jongste kinderen, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als volgt: o zij verblijven doordeweeks op woensdag, donderdag en vrijdag bij de vrouw, waarbij de vrouw de kinderen van school haalt een na het avondeten weer bij de man terugbrengt; o zij verblijven daarnaast eenmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdag na school tot en met zondag na het avondeten bij de vrouw, waarbij de vrouw de kinderen van school haalt en op zondag bij de man terugbrengt; het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning is aan de vrouw toegekend; de beslissing ten aanzien van de onderhoudsbijdrage is pro forma aangehouden tot 8 april 2024. Voorts heeft de rechtbank bij beschikking van 15 maart 2024 in het kader van deze bodemprocedure een onderzoek door de Raad gelast en verzocht zijn rapport en advies ten aanzien van de kinderen uit te brengen uiterlijk 11 november 2024. 2.6. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 april 2024 heeft de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen de verzoeken tot het vaststellen van kinderalimentatie alsmede het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een partneralimentatie afgewezen. 3De verzoeken en verweren 3.1. De man verzoekt thans de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken; II. te bepalen dat het door beide partijen ondertekende ouderschapsplan integraal onderdeel uitmaakt van de af te geven beschikking; III. de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man te bepalen; IV. het huurrecht van de echtelijke huurwoning aan de [adres 1] aan de man toe te wijzen; V. de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen zoals onder punt 27 tot en met 38 in zijn aanvullend verzoek is verzocht; althans een zodanige beslissing te nemen ten aanzien van de verzoeken van ieder van partijen als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren. 3.2. De vrouw verzoekt de rechtbank het verzochte af te wijzen, met uitzondering van het verzoek tot echtscheiding. De vrouw verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn; een zorgregeling vast te stellen zoals verzocht onder (naar de rechtbank begrijpt) 16 van haar verzoekschrift, te weten een zorgregeling waarbij de man van zaterdag van 12:00 uur tot 19:00 uur en op zondag van 12:00 uur tot 17:00 uur contact heeft met de kinderen, waarbij de man de kinderen ophaalt en weer terugbrengt naar de vrouw; te bepalen dat de man maandelijks € 776,- dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens vooruit per maand te voldoen aan de vrouw, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; te bepalen dat de man een bedrag van € 427,- per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van de beschikking in de register van de burgerlijke stand, dan wel door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; de verzoeken van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen zoals verzocht onder 25 t/m 33 van haar verzoekschrift; kosten rechtens. 3.3. De man verzoekt de rechtbank het zelfstandig door de vrouw verzochte af te wijzen. 3.4. Voor zover dat voor de beoordeling van belang is, gaat de rechtbank hierna nader in op de standpunten van partijen. 4De beoordeling Echtscheiding 4.1. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 4.2. De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist. 4.3. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. 4.4. In de wet staat dat ouders in beginsel pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen, als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). In dat ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken zijn opgenomen over: de manier waarop zij de zorg over hun kind(eren) zullen verdelen; hoe zij elkaar over hun kind(eren) zullen informeren en elkaar raadplegen over belangrijke zaken over de kinderen, en; hoe zij de kosten van de kinderen zullen delen. 4.5. De ouders hebben op 2 februari 2023 een ouderschapsplan gesloten dat in beginsel aan deze eisen voldoet. Dit plan is door de man overgelegd in deze procedure. Gebleken is dat de vrouw zich niet meer kan vinden in dit ouderschapsplan, de rechtbank zal dan ook in het navolgende ingaan op de verzoeken van partijen met betrekking tot de kinderen. Desalniettemin kan de man worden ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding. 4.6. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 4.7. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen. Verblijfplaats en zorgregeling 4.8. Ieder van partijen heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem respectievelijk haar te bepalen en voorts is in geschil de vast te stellen zorgregeling. 4.9. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 4.10. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 maart 2024 is een Raadsonderzoek gelast en is de Raad verzocht zijn rapport en advies uit te brengen uiterlijk 11 november 2024. De rechtbank zal dan ook de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling aanhouden. 4.11. Aangezien er momenteel geen contact meer is tussen [minderjarige 1] en de vrouw, is er tijdens de mondelinge behandeling wel besproken of er hangende het raadsonderzoek mogelijkheden bestaan voor contactherstel. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgesproken dat zij – gelet op de problematiek die speelt – professionele hulp in dat kader noodzakelijk acht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad toegezegd contact op te nemen met het OKT om te bespreken welke professionele begeleiding voor contactherstel zou kunnen worden ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegezegd open te staan voor professionele begeleiding, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. Uit telefonische terugkoppeling van de Raad laatstelijk op 25 september 2024 is gebleken dat het OKT in overleg is met KoMee. De rechtbank gaat ervan uit partijen zullen meewerken aan de in te zetten hulpverlening. Mocht dit evenwel niet van de grond komen of ten einde komen voordat het raadsonderzoek is afgerond, dan staat het partijen vrij de rechtbank daarvan op de hoogte te stellen zodat de verdere voortgang van de procedure kan worden bepaald. Kinderalimentatie en partneralimentatie 4.12. De vrouw heeft verzocht een door haarzelf te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 776,- per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 427,- per maand vast te stellen. 4.13. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. 4.14. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen. 4.15. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 4.16. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 4.17. De rechtbank zal de verzoeken met betrekking tot de kinder- en partneralimentatie, op verzoek van partijen, aanhouden in afwachting van het raadsonderzoek. Huurrecht van de woning 4.18. De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning. 4.19. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen. 4.20. Op grond van de wet zijn echtgenoten automatisch samen huurders van een woning, zolang die woning hun hoofdverblijf is (zij het grootste deel van die tijd in de woning wonen). Dit is ook het geval als de huurovereenkomst al door een van de echtgenoten was aangegaan vóór het huwelijk. Als partijen daarvoor een verzoek doen, kan de rechter bij het uitspreken van de echtscheiding bepalen wie van de echtgenoten na de scheiding voortaan alleen de huurder zal zijn. Bij die beslissing moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Daarbij stelt de rechter ook vast op welke dag die beslissing ingaat. Op die dag eindigt de huur van de andere echtgenoot. De verhuurder is gebonden aan deze beslissing van de rechter, ook al is de verhuurder geen partij in deze procedure. 4.21. Zowel de man als de vrouw hebben verzocht om de huurder te mogen zijn. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw hierbij het meeste belang heeft. De man is voornemens de nieuwbouwwoning over te nemen en volgens eigen zeggen is hij hier financieel ook toe in staat. De man zal in dat geval dus andere woonruimte kunnen betrekken. Daarbij komt dat het de man de afgelopen twee jaar ook gelukt is om ergens anders te verblijven. Mocht onverhoopt blijken dat de man de nieuwbouwwoning toch niet kan overnemen, dan geldt tot slot dat hij op basis van zijn inkomen meer financiële ruimte heeft om andere woonruimte te vinden dan de vrouw. Daarom bepaalt de rechtbank dat de vrouw voortaan de huurder van de woning is. Verdeling 4.22. Ieder van partijen heeft een verzoek gedaan met betrekking tot de verdeling dan wel verrekening van het huwelijksvermogen. 4.23. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. 4.24. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Turkije gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. Partijen hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, te weten in Nederland. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland. Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit is geen verdragsland. 4.25. Nu het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking een verdragsland is, dat de verklaring van artikel 5 van het Verdrag heeft afgelegd, werd op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder a. van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Turkije, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. 4.26. Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, en dus een automatische wijziging van het toepasselijke recht heeft plaatsgevonden. Gelet hierop is op het huwelijksvermogensregime over de periode 24 juli 2010 tot 24 juli 2020 Turks van toepassing en over de periode daarna Nederlands recht van toepassing. 4.27. Overwogen wordt dat het “wagonstelsel” van het Verdrag inhoudt dat de wijziging van het huwelijksvermogensregime slechts gevolgen heeft voor de toekomst. De beperkte gemeenschap van goederen naar Nederlands recht omvat daarom slechts de activa die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan vanaf het moment dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Op hetgeen ieder van partijen voordien heeft verworven, en de voordien aangegane schulden blijft het Turkse huwelijksvermogensregime van toepassing. Turks recht 4.28. Het Turkse recht kent sinds 1 januari 2002, als gevolg van de inwerkingtreding van het (nieuwe) Turkse Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW), als wettelijk huwelijksvermogensregime een zogenoemd deelgenootschap in vermogensopbouw. Gesteld noch gebleken is dat partijen voor een ander huwelijksgoederenregime hebben gekozen zodat van dit regime zal worden uitgegaan. 4.29. Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijk aanwezige verwervingen worden verrekend naar de waarde van het tijdstip van de feitelijke vereffening (artikel 235 TWB). Nederlands recht 4.30. Het Nederlandse recht kent sinds 1 januari 2018 de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, zodat dit regime vanaf 24 juli 2020 op het huwelijksvermogen van partijen van toepassing is. Een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen omvat, samengevat, alle goederen die reeds voor de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen (behoudens enkele uitzonderingen), alle gemeenschappelijke schulden die de echtgenoten bij aanvang van de gemeenschap hadden en alle daarna tijdens het huwelijk ontstane schulden. 4.31. Als peildatum voor het bepalen van de omvang en samenstelling van de ontbonden wettelijke beperkte gemeenschap van goederen van partijen heeft te gelden de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 1 juni 2023. Voor wat betreft de waarde van de vermogensbestanddelen zal ten aanzien van de schulden en de banksaldi worden uitgegaan van de waarde per 1 juni 2023. Ten aanzien van de overige vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van de waarde op het moment van de feitelijke verdeling dan wel een datum gelegen zo dicht mogelijk bij dat moment, derhalve de datum van deze beschikking. 4.32. De rechtbank zal de verzoeken met inachtneming van het voorgaande beoordelen. Bestanddelen 4.33. Uit de stukken het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de verdeling dan wel de verrekening van de volgende vermogensbestanddelen tussen partijen al dan niet in geschil is: De woning aan [adres 4] ; De parkeerplaats gelegen aan [adres 5] ; De hypothecaire geldlening bij Stichting PVF Particuliere Hypothekenfonds met contractnummer [nummer 1] ; De overlijdensrisicoverzekering bij TAF met polisnummer [nummer 2] ; De inboedel; Het saldo op de bankrekening bij ABN AMRO bank op naam van de man met nummer [rekeningnummer 1] ; Het saldo op de bankrekening bij Rabobank op naam van de man met nummer [rekeningnummer 2] ; Het saldo op de bankrekening bij Ziraat Bankasi (Turkije) op naam van de man met nummer [rekeningnummer 3] ; Het saldo op de bankrekening bij Rabobank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 4] ; De aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap Potesta Holding B.V.; Het onroerend goed in Turkije, adres [adres 3] : a. Huis in [adres 2] ; b. Stuk grond, [perceelnr. 1] ; c. Stuk grond, [perceelnr. 2] ; d. Stuk grond, [perceelnr. 3] ; e. Stuk grond, [perceelnr. 4] ; De schuld aan [bedrijf] VOF; De schuld aan [naam 2] ; De schuld aan [naam 3] ; De schuld aan [naam 4] ; De schuld aan Potesta Holding B.V. De woning, de parkeerplaats, de hypothecaire geldlening en de overlijdensrisicoverzekering (posten a t/m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.