vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/236778-23 (Promis) Datum uitspraak: 2 juli 2024 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2001, wonende op het adres [adres] , thans gedetineerd in [verblijfplaats] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2024 De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.R.F. van Raab van Canstein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.J. Veldheer, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en van wat zij en haar raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein, tijdens het onderzoek op de terechtzitting naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan Feit 1 primair: poging tot doodslag op [benadeelde 1] op 2 september 2023 in Amsterdam; Feit 1 subsidiair: Zware mishandeling van [benadeelde 1] op 2 september 2023 in Amsterdam Feit 1 meer subsidiair: poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1] op 2 september 2023 in Amsterdam; Feit 1 meest subsidiair: mishandeling van [benadeelde 1] op 2 september 2023 in Amsterdam; Feit 2 primair: poging tot doodslag op [benadeelde 2] op 7 september 2023 in Amsterdam; Feit 2 subsidiair: zware mishandeling van [benadeelde 2] op 7 september 2023 in Amsterdam; Feit 2 meer subsidiair: poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] op 7 september 2023 in Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 3Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie vindt het primair tenlastegelegde eerste feit en tweede feit wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot het eerste feit, een poging tot doodslag door [benadeelde 1] met een mes in de richting van zijn bovenlichaam en in zijn hand te steken, wijst de officier van justitie op de aangifte, de letselverklaring, (de beschrijving van) de camerabeelden en de herkenningen van de verbalisanten. Vier verbalisanten hebben de bewegende beelden bekeken en verdachte hierop herkend. Deze herkenningen kunnen als betrouwbaar worden aangemerkt, gelet op het feit dat zij specifieke kenmerken van verdachte noemen en drie van de vier verbalisanten verdachte eerder (meermalen) in persoon hebben ontmoet. Met betrekking tot het tweede feit, een poging tot doodslag door meerdere keren met een mes in het lichaam van [benadeelde 2] te steken, wijst de officier van justitie op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte en (de beschrijving van) de camerabeelden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft met betrekking tot het eerste tenlastegelegde feit integrale vrijspraak bepleit, omdat het bewijs alleen op de herkenningen van de vier politieambtenaren is gebaseerd, terwijl die herkenningen niet betrouwbaar zijn. De beelden zijn niet van haarscherpe kwaliteit waardoor niet alle lichaamskenmerken van de dader goed te zien zijn. Daarnaast zijn de genoemde lichaamskenmerken onvoldoende specifiek omschreven om als betrouwbaar te kunnen worden aangemerkt. De raadsman stelt zich subsidiair op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit, omdat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer door het steken zou komen te overlijden. Ook kan het letsel van [benadeelde 1] niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, waardoor geen sprake kan zijn geweest van een poging tot doodslag of zware mishandeling. De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het tweede tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank gaat op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. Feit 1 Op 2 september 2023 heeft een steekincident plaatsgevonden waarbij aangever [benadeelde 1] (hierna: aangever) in zijn hand is gestoken met een mes. Hij heeft hierdoor een steekverwonding opgelopen in de palm van zijn linkerhand van ongeveer 1,5 tot 2 centimeter groot en 1,5 centimeter diep. Van deze steekwond zit een foto in het dossier. Herkenningen Verdachte is op de bewegende camerabeelden van [locatie 1] en van de [locatie 2] (hierna: [locatie 2] ) door vier verbalisanten herkend als de dader van het steekincident. De herkenning van verdachte door verbalisanten wordt betwist door de raadsman en verdachte ontkent betrokkenheid bij dit steekincident. Verdachte heeft op de zitting van 18 juni 2024 verklaard dat hij ten tijde van het steekincident bij vrienden in Amsterdam-Oost was. De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre op deze beelden voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Een mogelijke gezichtsherkenning heeft daarbij de hoogste diagnostische waarde. Daartoe dient eerst te worden onderzocht wat de kwaliteit van de afbeeldingen of bewegende beelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. Voorts is van belang hoe goed de verbalisant de persoon op de beelden kent. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Daarbij is ook de aard, frequentie, het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) en het aantal onafhankelijke herkenningen door verbalisanten van belang. Tot slot kan worden gekeken naar feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken. De rechtbank is van oordeel dat de camerabeelden – met name die afkomstig van [locatie 1] vlak voor en na het steekincident – van voldoende kwaliteit zijn om daarop een verdachte te kunnen herkennen. Ook de gezichtskenmerken van verdachte die op een aantal momenten in beeld komen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende om een herkenning op te kunnen baseren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vier afzonderlijke herkenningen van verdachte als degene die betrokken was bij het steekincident. Het betreft vier afzonderlijk gerelateerde herkenningen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de beelden van het steekincident vergeleken met de politiefoto van verdachte en met de beelden van het steekincident op 7 september 2023 in de [adres] – het tweede tenlastegelegde feit – en komt tot de conclusie dat het gaat om dezelfde persoon. De andere drie verbalisanten stellen dat zij ambtshalve al met verdachte bekend waren en dat zij hem onmiddellijk herkenden. Verbalisant [verbalisant 2] kent verdachte al een langere periode omdat hij zich veelvuldig bezig houdt met dealers en (nep)dope verkopers. In dat verband is hij bij meerdere incidenten aanwezig geweest waarbij verdachte betrokken of verdachte was. Hij heeft verdachte ook meerdere keren in het wallengebied gezien. Verbalisant [verbalisant 3] is al meerdere jaren werkzaam in het wallengebied van en heeft verdachte meerdere malen gezien en gesproken het afgelopen jaar terwijl hij op de kruising van de [adres] met de [adres] stond. Verbalisant [verbalisant 4] herkent verdachte, omdat hij hem op 26 januari 2023 heeft aangehouden ter zake het messenverbod. Alle vier de verbalisanten herkennen verdachte aan de vorm van zijn hoofd of gezicht, zijn haar en zijn baardgroei. Daarnaast herkent verbalisant [verbalisant 1] de verdachte aan zijn postuur en de vorm en ligging van zijn ogen en zijn wijze van lopen, namelijk netjes, rustig en rechtop. Verbalisant [verbalisant 4] zegt verdachte te herkennen aan zijn wenkbrauwen in combinatie met zijn oogkassen en ogen. Hij noemt daarnaast nog de huidskleur, neus en mond van verdachte, met name de volle lippen en de verhouding tussen alle kenmerken. De rechtbank is al met al van oordeel dat de kenmerken die de verbalisanten noemen voldoende onderscheidend zijn en voldoende specifiek zijn beschreven. Van feiten of omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken is niet gebleken. De herkenningen zijn hierdoor voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank verdachte dan ook aan als de persoon die te zien is op de beelden van [locatie 1] en de [locatie 2] . Daarmee is voldoende bewijs geleverd dat verdachte in de nacht van 2 september 2023 aangever met een mes in zijn hand heeft gestoken. Het eerst op zitting naar voren gebrachte verweer van verdachte dat hij dit niet was omdat hij op het moment van het steekincident bij vrienden was verwerpt de rechtbank dan ook. Poging tot doodslag De rechtbank stelt vast dat verdachte een steekwond in de palm van de linkerhand van aangever heeft veroorzaakt door aangever met een mes te steken. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Voor een poging tot doodslag is, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet op de dood van het slachtoffer vereist. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om aangever om het leven te brengen. Ook voor voorwaardelijk opzet (het aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat aangever zou komen te overlijden als gevolg van de messteek) ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier. In deze zaak heeft zich geen deskundige uitgelaten over de vraag of door het handelen van verdachte, voor zover dit uit de beelden, de aangifte en de letselverklaring blijkt, de aanmerkelijke kans bestond dat aangever om het leven zou komen. De rechtbank kan dus slechts beoordelen of die kans naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de beelden blijkt dat verdachte weliswaar tweemaal met kracht richting aangever heeft uitgehaald, maar dat hij hem de eerste keer niet heeft geraakt en hem bij de tweede uithaal in zijn linkerhand heeft gestoken en dus niet, voor zover naar algemene ervaringsregels te beoordelen, in een vitaal gebied. Met betrekking tot de eerste stekende beweging is op grond van de camerabeelden niet vast te stellen hoe verdachte het mes vasthad en hoe groot het mes was. Ten aanzien van de tweede steekbeweging geldt dat uit de medische documentatie volgt dat als gevolg daarvan sprake is geweest van een oppervlakkige steekverwonding zonder (dieper liggend) pees- of zenuwletsel. Nu verdachte kennelijk niet met dusdanige kracht heeft gestoken dat sprake is van diepere verwondingen en niet is gestoken op een levensbedreigende plaats op het lichaam, acht de rechtbank een poging doodslag niet bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit. Zware mishandeling De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit is vereist dat aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de letselverklaring leidt de rechtbank af dat geen letsel is toegebracht aan vitale organen of ledematen waarbij sprake zal zijn van een blijvende invaliditeit. De steekverwonding is in het ziekenhuis gehecht en niet gebleken is dat verder medisch ingrijpen noodzakelijk is geweest. De rechtbank is van oordeel dat het litteken zich niet op een plaats op het lichaam bevinden dat deze zodanig ontsierend is dat om die reden sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Aangever heeft in het schadeformulier toegelicht dat hij nog iedere dag last heeft van klachten aan zijn hand. Hij is hiervoor gezien door een plastisch chirurg die (bij herhaling) heeft vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor traumatisch pees- of zenuwletsel. De door aangever benoemde overige klachten aan de hand kunnen niet worden verklaard door het steekincident. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het door verdachte toegebrachte letsel niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel . Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde feit. Poging tot zware mishandeling Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wel acht de rechtbank bewezen dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Uit de beelden blijkt namelijk dat aangever eenmaal met kracht richting het bovenlichaam van aangever een stekende beweging heeft gemaakt en daarna van meer afstand een beweging met het mes heeft gemaakt in de richting van aangever. Hij heeft aangever bij de tweede beweging in zijn hand geraakt, omdat aangever een afwerende beweging maakte. Het is een feit van algemene bekendheid dat het steken met een mes in het lichaam kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Zo bevinden zich in het hele lichaam pezen en zenuwen die, wanneer ze met een mes doorkliefd worden, tot blijvende lichamelijke klachten of invaliditeit kunnen leiden. Nu dit een feit van algemene bekendheid is, stelt de rechtbank vast dat verdachte zich ook bewust moet zijn geweest van die aanmerkelijke kans. Door met kracht stekende en zwaaiende bewegingen te maken richting het bovenlichaam van aangever en hem in zijn hand te steken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Conclusie De verdachte zal worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Feit 2 De rechtbank acht op basis van de inhoud van de aangifte van [benadeelde 2] (hierna: aangeefster), het bij haar ontstane letsel, de beschrijving van de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van aangeefster. (Voorwaardelijk) opzet van verdachte Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te kunnen komen is vereist dat verdachte opzet had op de dood van aangeefster. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier dat verdachte vol opzet had op de dood van aangever, in die zin dat het zijn bedoeling was haar te doden. Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedragingen van een verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door meerdere keren met kracht met een mes in de borstkas en het been van aangeefster te steken , zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij haar mogelijk dodelijk zou verwonden. In het bovenlichaam bevinden zich immers vitale delen van het lichaam, zoals de longen, het hart, en diverse slagaderen. Door het steken heeft aangeefster ernstig letsel en een klaplong opgelopen en vijf dagen in het ziekenhuis gelegen waarvan één dag op de intensive care afdeling. Algemene ervaringsregels leren dat wanneer met kracht met een mes in de buik of het bovenlichaam wordt gestoken, dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, is dus de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ontstaan. Het meerdere keren steken met een mes in de borstkas en het bovenbeen is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van aangeefster dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg willens en wetens ofwel bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. 5Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: ten aanzien van feit 1, meer subsidiair: op 2 september 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, in de richting van het (boven)lichaam en in de hand van voornoemde [benadeelde 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. ten aanzien van feit 2, primair: op 7 september 2023 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen met een mes, in de borstkas en het bovenbeen, van voornoemde [benadeelde 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 6De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7De strafbaarheid van verdachte 7.1 Het onder 1 tenlastegelegde feit Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit met betrekking tot het onder 1, meer subsidiair, bewezen geachte feit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7.2 Beroep op noodweerexces met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit 7.2.1 Het standpunt van de verdediging Beroep op noodweerexces met betrekking tot het onder 2 primair tenlastegelegde feit De raadsman heeft met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit bepleit dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, omdat aangeefster zijn tas had afgepakt en deze niet wilde teruggeven. In die tas zaten essentiële spullen van verdachte zoals zijn paspoort en zijn portemonnee. Er was dus sprake van een noodsituatie waartegen verdachte zich mocht verdedigen Vaststaat dat verdachte in zijn verdediging door het gebruik van een mes disproportioneel heeft gehandeld. Dat verdachte zo heeft gehandeld is echter het directe gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Aangeefster bleef zijn tas vasthouden en begon op enig moment in de tas te graaien. Op dat moment raakte verdachte vanuit zijn angst in paniek waardoor hij tot excessief geweld overging. Hierdoor komt verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toe. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 7.2.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie waartegen verdachte zich op een gepaste wijze mocht verdedigen. De gekozen wijze van verdediging - het meermalen met kracht steken van een mes richting de thorax - was echter buiten proportie. Dat dit het gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, waardoor een geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweerexces, wordt bestreden. Uit niets blijkt dat verdachte uit angst handelde. Uit de beelden en de verklaring van aangeefster blijkt dat verdachte in de aanloop naar het steekincident juist rustig was. Voor zover bij verdachte als gevolg van de aanranding sprake was van een gemoedsbeweging van beperkte intensiteit, was vervolgens sprake van een dusdanig verregaande mate van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, dat een beroep op noodweerexces om die reden verworpen dient te worden (ECLI:NL:HR:2016:456). 7.2.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het handelen van aangeefster een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft opgeleverd, waartegen verdachte zich in beginsel mocht verdedigen. Aangeefster heeft immers de tas van verdachte afgepakt door deze van hem af te trekken en daarmee weg te lopen. De daaropvolgende gedragingen van verdachte staan echter niet in redelijke verhouding tot de ernst van de gedragingen van aangeefster. Verdachte heeft namelijk, toen hij aangeefster achterna liep, een mes gepakt, dit mes als verdedigingsmiddel gebruikt en met dit mes – zoals ook uit de camerabeelden blijkt – met heftige bewegingen meerdere keren in het bovenlichaam en het been van aangeefster gestoken, hetgeen aangeefster ternauwernood heeft overleefd. Verdachte had een lichtere vorm van geweld kunnen gebruiken om zijn tas terug te pakken van aangeefster, zonder daarbij een wapen te gebruiken. Verdachte is door (op deze wijze) te steken met een mes te ver gegaan in zijn verdediging. De rechtbank overweegt dan ook dat sprake was van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding waarbij verdachte de grenzen van een geboden en noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Bij een geslaagd beroep op noodweerexces kan die overschrijding verdachte strafrechtelijk niet verweten worden, als die het gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Binnen noodweerexces is niet alles toelaatbaar; de overschrijding van de proportionaliteitsgrenzen moet nog wel redelijk zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij angstig was voor het verlies van zijn tas met daarin voor hem waardevolle spullen en dat hij zijn zelfbeheersing verloor toen aangeefster haar hand in zijn tas stak. Het dossier bevat echter verder geen aanknopingspunten dat de aanranding bij verdachte een dermate hevige gemoedsbeweging veroorzaakte, dat de zeer heftige geweldsexplosie die daarop volgde daardoor valt te verklaren. Ondanks dat uit de beelden blijkt dat verdachte geagiteerd en boos was, is op de beelden ook te zien dat verdachte aanvankelijk beheerst overkwam. Aangeefster heeft eveneens verklaard dat verdachte rustig op haar overkwam. Daarbij komt dat verdachte blijkens de camerabeelden, al voordat aangeefster zijn tas openritste en haar hand in de tas stak, het mes in zijn hand had genomen en daarmee op haar af kwam. Dit betekent dat verdachte vóór het moment waarop hij naar eigen zeggen zijn zelfbeheersing verloor, al rekening hield met de mogelijkheid van een escalatie. De rechtbank acht het daardoor niet aannemelijk dat de omstandigheden waaronder de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden – het openritsen van de tas en het graaien in de tas - van doorslaggevende betekenis zijn geweest voor het ontstaan van de gestelde hevige gemoedsbeweging. De rechtbank ziet wel – en acht ook voorstelbaar – dat de diefstal van zijn tas door aangeefster bij verdachte enige gemoedsbeweging heeft teweeggebracht. Door echter te handelen zoals door de rechtbank bewezen is verklaard, heeft verdachte de grenzen van proportionaliteit dermate overschreden, dat niet kan worden gesproken van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging. Het beroep op noodweerexces wordt daarom verworpen. Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar. 8Motivering van de straffen en maatregelen 8.1 De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Ook vordert de officier van justitie oplegging van twee vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v Sr, te weten een contactverbod met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en een locatieverbod van het overlastgebied Centrum. De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de vordering tot oplegging van de GVM af te wijzen. De GVM is voorbehouden aan de meest ernstige gevallen van gewelds- en zedenmisdrijven, waartoe deze zaak niet behoort. Daarnaast heeft reclassering geadviseerd om geen GVM op te leggen en heeft de officier van justitie geen zwaarwegende argumenten aangevoerd waarom een GVM passender zou zijn dan een deels voorwaardelijke straf. Verdachte is gebaat bij oplegging van bijzondere voorwaarden en toont zich hier ontvankelijk voor. De raadsman heeft daarom verzocht een gevangenisstraf van maximaal achttien maanden op te leggen waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis. 8.3 Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door een slachtoffer in zijn hand te steken, en poging tot doodslag door met kracht meerdere keren in het bovenlichaam en het been van het tweede slachtoffer te steken. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dat aangeefster het steekincident heeft overleefd, is niet aan het handelen van verdachte te danken. Hij heeft haar na het steken achtergelaten op straat terwijl zij daar lag met ernstige verwondingen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Een dergelijk incident veroorzaakt bovendien gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving als geheel, in het bijzonder bij hen die getuige waren van het voorval. Uit de verklaringen van beide aangevers blijkt ook dat zij nog steeds klachten ondervinden van wat hen is overkomen en dat zij zich niet veilig voelen op straat. Verdachte loopt bovendien vaker met een mes op straat en schroomt niet om deze te gebruiken, met alle schadelijke gevolgen van dien. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.