RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/134664-24 (EAB2) Datum uitspraak: 9 juli 2024 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 26 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 16 november 2023 door the Circuit Court Warszawa-Praga in Warsaw (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1968, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [naam PI] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2024, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. van Egmond, advocaat in Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een provisional arrest warrant: decision of the District Court Warszawa-Praga Północ in Warsaw of 24 October 2023, reference: III Kp 1022/23. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de opgeëiste persoon acht de feitsomschrijving in het EAB ongenoegzaam. Daarbij komt dat de strafbedreiging onvoldoende duidelijk is. In het EAB wordt artikel 59e lid 1 van de wet van 12 mei 2011 betreffende het consumentenkrediet genoemd. Het Openbaar Ministerie heeft geïnformeerd naar het strafmaximum van dit artikel. In het antwoord hierop refereert de uitvaardigende justitiële autoriteit aan artikel 59c van deze wet. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat, nu onvoldoende duidelijk is om welk strafbaar feit het nu precies gaat en welke strafbedreiging daarop staat, de overlevering dient te worden geweigerd. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat, als in weerwil van een aangekruist lijstfeit blijkt dat de strafbedreiging minder dan 3 jaar is, de dubbele strafbaarheid dient te worden onderzocht. Dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit ziet op artikel 59c van de genoemde wet moet als een kennelijke verschrijving worden gezien. De officier van justitie voorziet echter dat de rechtbank een tussenuitspraak zal wijzen, zodat zekerheidshalve hierover nog nadere vragen kunnen worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen oproept, nu in het EAB en de aanvullende informatie verschillende bepalingen van de van de wet van 12 mei 2011 betreffende het consumentenkrediet worden genoemd. Zoals echter door de officier van justitie voorzien, zal de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak wijzen ten behoeve van het stellen van vragen over de detentieomstandigheden in de Poolse remand-prisons. De rechtbank zal de officier van justitie daarom verzoeken de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen op dit punt. 4Artikel 11 OLW 4.1 Poolse rechtstaat De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. De raadsvrouw heeft in het kader van een ander EAB dat gelijktijdig met dit EAB wordt behandeld uitgebreid betoogd dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Zij heeft gesteld dat dit ook geldt voor dit EAB. Nu de raadsvrouw haar betoog niet met stukken kan onderbouwen is thans nog geen sprake van een geslaagd beroep op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Zoals gezegd zal de rechtbank een tussenuitspraak wijzen, hetgeen de verdediging in de gelegenheid stelt het verweer alsnog met stukken te onderbouwen. Nu de opgeëiste persoon thans nog geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – de structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is vooralsnog niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 4.2 Detentieomstandigheden in Polen voor voorlopig gehechten De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit over de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente tussenuitspraken heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten. Inmiddels zijn deze vragen in een aantal zaken beantwoord. In uitspraken van 5 juni 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de beantwoording van deze vragen door de Poolse autoriteiten niet afdoende is om de eerder geuite zorgen weg te nemen. Uit de antwoorden blijkt immers niet hoeveel m2 levensruimte (exclusief sanitair) een voorlopig gehechte in een meerpersoonscel heeft, tegen de achtergrond van - hoofdzakelijk - het aantal uur per dag op cel (veelal 23 uur per dag), in voorkomend geval in combinatie met andere, de detentieomstandigheden verzwarende aspecten, namelijk de beperking van het contact met de buitenwereld en de (duur van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.