proces-verbaal RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/753579 / KG ZA 24-602 MDvH/MB Proces-verbaal van mondelinge uitspraak op 10 juli 2024 in het kort geding van [eiser] , woonplaats kiezend te [woonplaats 1] , eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 10 juli 2024, advocaat mr. D.J.B. Bosscher te [woonplaats 1] , tegen [gedaagde] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagde, in persoon verschenen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd. De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding. Tegenwoordig zijn mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, en mr. M. Balk, griffier. Na uitroeping van de zaak verschijnen: [eiser] met mr. Bosscher; [gedaagde] in persoon. Partijen hebben producties in het geding gebracht en over en weer het woord gevoerd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dit proces-verbaal opgemaakt, afgegeven op 11 juli
- De voorzieningenrechter heeft de volgende uitspraak gedaan: 1Inleiding [eiser] heeft [naam] gedagvaard in een procedure bij de rechtbank Den Haag tegen 5 januari
- [eiser] vordert veroordeling van [naam] tot betaling van de koopsom en de boete terzake van een woning die [eiser] aan [naam] stelt te hebben verkocht. [gedaagde] zou de aankopend makelaar zijn geweest. Het verweer van [naam] is dat hij de woning niet heeft gekocht en iemand misbruik moet hebben gemaakt van zijn identiteit. Binnenkort vindt de mondelinge behandeling in deze bodemprocedure plaats. 2De gronden van de beslissing De rechtbank Den Haag heeft [eiser] op de voet van artikel 22 lid 1 Rv verzocht om “uiterlijk voor donderdag 11 juli a.s. een schriftelijke verklaring van [gedaagde] in het geding te brengen (…) waarin [gedaagde] de hem bekende feiten en omstandigheden waaronder de koopovereenkomst tot stand is gekomen uiteenzet en waarin een nadere omschrijving van de redenen van wetenschap dat de kopende partij de gedaagde partij zou zijn wordt beschreven.” [gedaagde] was aanvankelijk niet bereid vrijwillig een verklaring van die strekking af te geven. Daarom is [eiser] dit kort geding gestart waarin hij vordert dat [gedaagde] naar waarheid een schriftelijke verklaring aflegt als door de rechtbank Den Haag verzocht. Inmiddels heeft [gedaagde] wel een schriftelijke verklaring afgelegd. [eiser] meent echter dat deze verklaring in strijd met de waarheid is en handhaaft zijn vordering. De vraag die allereerst voorligt is of [gedaagde] gedwongen kan worden – verplicht is – een verklaring als verzocht door de rechtbank af te leggen. [eiser] meent dat dit het geval is omdat “een redelijk handelend en bekwaam aankoopmakelaar gehouden is jegens een verkoper te melden wat de identiteit is van de koper die hij heeft aangedragen (…) omdat hij degene is die de identiteit moet hebben geverifieerd in het kader van zijn verplichtingen onder de Wwft [Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme].” Hij stelt dat het in strijd met de zorgvuldigheid de in het maatschappelijk verkeer betaamt – en dus onrechtmatig is – als [gedaagde] weigert een verklaring af te leggen. Voorshands wordt geoordeeld dat [gedaagde] – of hij nu gehandeld heeft als makelaar of niet – niet kan worden veroordeeld tot het afleggen van een verklaring als door de rechtbank verzocht (in een procedure waarin hij zelf geen partij is). De verzochte verklaring gaat immers (veel) verder dan de identiteit van de koper bekend maken. Bovendien heeft [gedaagde] al eerder aan (de advocaat van) [eiser] bevestigd “dat de koper is de [hem] bekende [naam] , geboren op [geboortedatum] 1958 die staat ingeschreven te [adres].” Dat deze [naam] in de bodemprocedure nu betwist dat hij de woning heeft gekocht, maakt dat niet anders. Evenmin dat [gedaagde] nu schriftelijk heeft verklaard dat hij niet weet of [naam] de koopovereenkomst ook daadwerkelijk heeft ondertekend. Of hij hier nu toe verplicht kon worden of niet: inmiddels heeft [gedaagde] een schriftelijke verklaring afgelegd over de hem bekende [naam] . Of deze verklaring in strijd met de waarheid is, zoals [eiser] betoogt, of dat zijn eerdere bevestiging onjuist is (of een verkeerde indruk wekt) kan in dit kort geding niet worden vastgesteld en hoeft ook niet. [gedaagde] heeft een schriftelijke verklaring afgelegd en in de bodemprocedure zal moeten worden beoordeeld – al dan niet na verder bewijslevering en het mogelijk onder ede horen van [gedaagde] (en andere getuigen) – welke conclusie(s) hieraan kunnen worden verbonden. De vordering zal daarom worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten. 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.
- weigert de gevraagde voorziening, 3.
- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op: – € 320,00 aan griffierecht, 3.
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.