RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-112711-24 Datum beslissing: 25 juni 2024 TUSSENBESLISSING op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 4 april 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Landgericht Bamberg (Duitsland) op 8 januari 2024 en betreft: [overgeleverde persoon] geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] nu gedetineerd in Duitsland hierna te noemen: de overgeleverde persoon. 1Beoordeling Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn echter niet toereikend om – met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon – een beslissing te nemen. Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan. 2Tussenbeslissing van 30 mei 2024 Terugkeergarantie In de tussenbeslissing van 30 mei 2024 is door de rechtbank vastgesteld dat de door de Duitse autoriteiten aan de overgeleverde persoon verleende terugkeergarantie voldoet aan de daartoe gestelde eisen. Hoorrecht De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat op grond van de beschikbare informatie niet kan worden vastgesteld dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank heeft op grond van het bovenstaande de beslissing op het verzoek om aanvullende toestemming aangehouden en de Duitse autoriteiten verzocht het volgende kenbaar te maken: (I) of er een nader contactmoment is geweest waarbij de overgeleverde persoon voldoende de gelegenheid is geboden om eventuele opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming, en (II) of daarbij de 20 specifiek genoemde aanvullende feiten aan de orde zijn geweest. De rechtbank overwoog in de tussenbeslissing van 30 mei 2024 dat zij deze vragen stelt omdat uit het overgelegde verhoor van de overgeleverde persoon van 20 april 2023 kan worden afgeleid dat hij nog nader zou worden gehoord over de feiten waarvoor aanvullende toestemming wordt gevraagd. Uit het dossier blijkt niet dat een dergelijk nader verhoor heeft plaatsgevonden, of dat hem op andere wijze nog de gelegenheid is geboden om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot de aanvullende toestemming naar voren te brengen. 3Hoorrecht Bij e-mail van 3 juni 2024 hebben de Duitse autoriteiten een reactie gegeven op de hiervoor onder 2 vermelde vragen van de rechtbank. Hierin wordt - kort samengevat - meegedeeld dat een lijst van strafbare feiten aan de overgeleverde persoon is overhandigd waaronder ook de 21 strafbare feiten waarop het verzoek tot aanvullende toestemming betrekking heeft. De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten echter geen antwoord hebben gegeven op vraag (I). De rechtbank verzoekt de officier van justitie dan ook de volgende vraag te stellen aan de Duitse autoriteiten: - Is er een nader contactmoment geweest waarbij de overgeleverde persoon voldoende de gelegenheid is geboden om eventuele opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming ten aanzien van de 21 aanvullende feiten? 4Beslissing De rechtbank: houdt de beslissing op het verzoek om aanvullende toestemming aan; met dien verstande dat deze, gezien het tijdsverloop tussen het indienen van het verzoek en de vordering van de officier van justitie uiterlijk 9 juli 2024 weer aan een zitting wordt gekoppeld. Deze beslissing is genomen op 25 juni 2024 door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. P. Sloot en C.M. Delstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier. Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.